Afgelopen zondag heb ik op verzoek van Karen Vintges, onze docent bij Politieke en Sociale Filosofie, het laatste boek van Bas Heijne, Moeten wij van elkaar houden?, gelezen.

Het boekje zelf is in een middag te lezen; het kostte niet veel meer tijd dan Bernard Haitink nodig had in het Zondagmiddag-concert voor zijn uitvoering van Mahler 9 met het Koninklijk Concertgebouw Orkest. En het aardige is dat het boekje ook een diepere relatie lijkt te hebben met Mahler dan alleen als een geschikte muzikale achtergrond, hetgeen op zich natuurlijk al een gruwel is: Mahler als achtergrondmuziek!
In de negende symfonie komt denk ik iets tot uitdrukking wat Heijne ook probeert te benadrukken: het samengaan van rede en emotie, of van individu en gemeenschap, in plaats van het uit elkaar drijven van die twee, waardoor er geen gesprek meer mogelijk is tussen de verschillende partijen in het huidige populisme debat.
In deze symfonie, en wat mij betreft is de negende de meest emotionele van al Mahlers symfonieën, hoor ik een in rede gevangen emotie, emotie die uitgedrukt wordt, en moet worden, binnen de strakke, logische kaders van de vierdelige klassieke symfonie, de vijf muziekstrepen, de twaalf noten van het octaaf en de harmonische regels, die Mahler dan wel weer tot het alleruiterste oprekt.

Heijne refereert in het hoofdstuk over Pim Fortuyn, Verlos ons!, aan de figuur van de verlosser in de negentiende eeuwse romans en opera’s, met als voorbeelden de helden van de Wagner opera’s (de Hollander, Lohengrin, Tannhäuser, Walther von Stolzing, Parsifal) en prins Mysjkin in Dostojevski’s Idioot. Deze eenlingen drukken volgens Heijne de eeuwige en onoplosbare spanning tussen individu en gemeenschap uit, waarvoor in de negentiende eeuw en met name in de romantiek de verlossende rol gezocht werd in de kunst. Mahler was zelf een van de, en misschien wel de laatste, van deze negentiende eeuwse personificaties van dat verlangen om individu en gemeenschap tot elkaar te brengen, gezien zijn eigen uitspraak van een drievoudige verwijdering:
Ich bin dreifach heimatlos: als Böhme unter den Österreichern, als Österreicher unter den Deutschen und als Jude in der ganzen Welt.
Maar hiermee was hij misschien ook wel een van de eerste kunstenaars uit de twintigste eeuw die zich in Heijne’s karakterisering juist van de wereld afkeerde en alleen nog een ziener voor zichzelf wilde zijn. Fortuyn vergeleek zich volgens Heijne in De verweesde samenleving zelfs met Mozes, die het Nederlandse volk weer terug kon voeren naar hun verloren gegane, beloofde land.

Heijne verwijt de “linkse elite” of de zelfbenoemde erfgenamen van de Verlichting vooral dat ze de huidige populistische stroming over zichzelf hebben afgeroepen, net zoals hij dat deed in zijn artikel in NRC Handelsblad van 31 december 2010, Het populisme keert zich tegen de Verlichting – niet geheel onterecht, dat in het boek in gewijzigde vorm terug keert als het hoofdstuk met de titel Een dode kariboe.

Met de kariboe die Sarah Palin voor het oog – en ongetwijfeld gemanipuleerd – van de camera’s doodschiet om de diepvries van haar familie van vlees te voorzien, wil ze volgens Heijne een duidelijke boodschap overbrengen:
De mensen die zichzelf idealistisch noemen, die zeggen het goede voor te staan, kijken op een fatale manier weg van de werkelijkheid. De wereld is namelijk niet goed.
(p. 81)
Als de wereld niet goed is, dan vallen mensen op heel natuurlijke wijze terug op het beschermingsmechanisme dat door de hele geschiedenis heen gewerkt heeft en in de evolutie diep in de genen is gegrift: zich terugtrekken in een groep van gelijkgestemden en bekenden. Om iets vreemds te accepteren moet je jezelf veilig voelen. Wat vreemd is, is altijd bedreigend, en die dreiging is niet via abstracties als gelijkheid, vrijheid en tolerantie op te heffen. Zoals Heijne het zelf formuleert:
[H]et andere is geen verrijking als die mensen uit die andere cultuur bij je om de hoek wonen. Het is een bedreiging.
(p. 101)
Heijne geeft als voorbeeld uit Nederland de uitspraak van Job Cohen dat wat de Nederlandse samenleving bij elkaar houdt de gemeenschappelijke rechtstaat is. Als we ons binnen de grenzen van die rechtsstaat bewegen, kunne we volgens Cohen prima samenleven met meer dan honderd culturen door elkaar en kan daarbinnen iedereen “helemaal zich zelf zijn.” Wat Cohen volgens Heijne daarbij vergeet is dat ‘rechtstaat’ een abstractie, een idee van de rede, is, en geen voldoende tegenwicht kan bieden tegen de emoties die in een samenleving met met meer dan honderd culturen onvermijdelijk oplaaien.
Tegen emoties staat de rede vrijwel machteloos, dat wist Spinoza al toen hij in propositie 7 van deel 4 van zijn Ethica zei: “Een reactie [passie,emotie] kan alleen bedwongen worden of opgeheven worden door een tegenovergestelde reactie die sterker is dan de te bedwingen reactie.” (vertaling Wim Klever, Ethicom p. 471)

Met redelijkheid en abstractie alleen bereik je niet veel, dat is volgens Heijne een van de dingen die de “multiculturalisten” over het hoofd hebben gezien. Daarnaast constateert Heijne dat de abstracties van gelijkheid, rechtvaardigheid, vrijheid ook nog eens niet goed te verenigen zijn met andere abstracties als individualiteit en subjectiviteit:
Wanneer er in een cultuur een tendens bestaat om alles steeds persoonlijker te maken, wanneer er in een commerciële massacultuur steeds meer nadruk wordt gelegd op het primaat van de belevingswereld, de subjectieve blik als middel tot zelfverwerkelijking, dan zal er weinig animo zijn voor begrippen waarin naar een zo groot mogelijke objectiviteit wordt gestreefd, of voor instituten die nadrukkelijk buiten, of liever gezegd boven jouw kleine wereld staan. Wie jou wil overhalen die onpersoonlijke abstracties boven je te erkennen, zal over veel overtuigingskracht moeten beschikken.
(p. 73)
Die overtuigingskracht bereik je in elk geval niet door een afkeer uit te spreken van de boodschap of van de verpakking van de boodschap die de rechts-populisten willen uitdragen. Daarmee versterk je alleen maar het gevoel dat “zij in Den Haag” niet meer weten wat “ons” bezighoudt. Of zoals Heijne zegt:
De idealen van een gegoede, zichzelf als progressief beschouwende klasse staan te vaak op gespannen voet met de werkelijkheid. Wanneer die idealen onder vuur komen te liggen, door populisten als Palin en Bosma, worden de onruststokers verafschuwd, veroordeeld of betreurd. Zelden worden ze adequaat van repliek gediend.
(p. 86)
Het onbegrip, of zelfs de weigering om begrip op te brengen, voor de zere plek waar de populisten op wijzen en die ze trefzeker weten te raken, loopt als een rode draad door het boek van Heijne.
Een voorbeeld dat hij hiervan geeft is een boek van Zeev Sternhell, Les anti-Lumières, uit 2006. Daarin beschrijft Sternhell de opkomst van een anti-Verlichtingsdenken bij filosofen als Burke en Herder, dat hij niet zozeer als een reactie op de eenzijdige nadruk op rede en gelijkheid van de Verlichting benadert, maar als een denkrichting die parallel aan de Verlichting tot ontwikkeling komt, met tegengestelde ideeën over gemeenschap en individu, gevoel en rede en over volk, cultuur en geschiedenis aan de ene kant tegenover een besef van gedeelde menselijkheid aan de andere kant. Heijne noemt Sternhell kortzichtig omdat hij in zijn analyse van deze twee vormen van moderniteit, eenzijdig partij trekt voor de kant van de Verlichting en de andere kant lijkt te zien als een uiting van het kwaad zelf:
Geen moment lijkt hij open te staan voor de argumenten van de verlichtingskritiek. Voor hem is het een strijd tussen goed en kwaad: het vrije rationele individu aan de ene kant, een individu dat zich in de ander kan herkennen door een besef van algemeen geldende menselijke waarden, recht tegenover de mens die zich onderdompelt in zijn romantische idee van volksverwantschap en zich niets gelegen laat liggen aan abstracties zoals de Rechten van de Mens. Verlichtingskritiek doet Sternhell consequent af als heulen met de vijand.
(p. 108)
Volgens Heijne trekt Sternhell een directe lijn van het anti-verlichtingsdenken van Burke en Herder naar de Holocaust en andere gruwelen van de twintigste eeuw. Je kunt hier wellicht ook een echo van Hannah Arendt in zien als zij in The Origins of Totalitarianism zegt dat in de periode tussen de twee wereldoorlogen de algemene rechten van de mens slechts een abstractie bleken te zijn niet verdedigd of afgedwongen konden worden.

Heijne denkt dat de fout die in het populisme debat, en dan vooral door de Verlichtings-kant, gemaakt wordt, is om de twee botsende opvattingen van moderniteit te zien als een strijd tussen goed en kwaad in plaats van als een bij uitstek menselijke worsteling:
Individu en ratio aan de ene kant, gemeenschap en gevoel aan de andere kant: je hoeft niet over een groot inzicht in de menselijke natuur te beschikken om te beseffen dat een mens voortdurend heen en weer geslingerd zal worden tussen die twee uitersten, en dat ieder wereldbeeld dat de nadruk legt op het een, op een gegeven moment geconfronteerd zal worden met zijn tegenbeeld.
(p. 109)
Een interessant intermezzo in het betoog vond ik het hoofdstuk over de Rijdende rechter mr. Frank Visser. Heijne laat hier zien dat het beeld van de burger die, zoals hij zelf omschrijft, “geen gezag meer zou erkennen, geneigd is alles vanuit zijn eigen belang af te wegen, en een al maar groter wantrouwen zou koesteren tegenover de gevestigde instituten” (p. 67) niet kan kloppen. Wat hij ziet in die uitzendingen, en dan eigenlijk in Recht in de regio als variant, zijn juist burgers die snakken naar autoriteit en duidelijkheid. Wat ze niet meer willen zijn instituties op afstand, waarin de blinddoek van Vrouw Justitia eerder gezien wordt als een teken van blind zijn voor de werkelijkheid dan van onpartijdigheid. Wat de burgers, die, hoewel ze in bijna alle gevallen met hun klachten in het ongelijk gesteld worden, toch tevreden lijken te zijn met de uitspraak van de rechter die in hun kroeg of buurthuis komt rechtspreken, hebben ervaren is dat ze gezien en gehoord (p. 70) zijn.

Heijne’s analyse valt zo ongeveer samen met mijn eigen opvatting. Ik verbaas me al een paar jaar over de anti-Wilders kramp waarin zoveel mensen vervallen, zonder dat iemand zich lijkt af te vragen wáárom er eigenlijk zoveel mensen op Geert Wilders stemmen. Die mensen willen iets zeggen, iets duidelijk maken, dat blijkbaar door de meer “redelijke” politieke partijen niet gezien of gehoord wordt. In een democratie kun je deze mensen niet afdoen als ‘dom’ of ‘misleid’, zoals Rousseau in Het maatschappelijk verdrag op p. 69 doet wanneer hij zegt: “Het volk is nooit corrupt, maar het wordt wel vaak misleid, en alleen dán schijnt het te willen wat slecht is.”

In een democratie hoort iedere stem gehoord te worden en serieus genomen te worden, maar natuurlijk niet altijd gevolgd te worden. Als je niet bereid bent om te luisteren, echt te luisteren, dan verliest de democratie haar betekenis. Dan krijg je een situatie die Jonathan Lear beschrijft (Open Minded, p. 5) over een congres waar iedereen Freud afdoet als volslagen achterhaald, zonder ooit iets van Freud gelezen te hebben en dat ook niet van plan is omdat hij nu eenmaal achterhaald is.

Als een persoonlijke noot kan ik ook nog wel toegeven dat ik soms ook het gevoel heb dat ik maar op Geert Wilders moet stemmen. Bijvoorbeeld toen meneer Hirsch Ballin het wetsartikel over smadelijke godslastering – dat nog steeds in de wet staat, o gruwel – wilde oprekken zodat elke levensovertuiging er onder zou vallen. Dat zou volgens mij vooral door moslims aangegrepen worden om elk kritisch woord over de islam onmogelijk te maken. Ik vertrouw geen enkele gelovige, en vooral niet als die religie luidkeels uitgedragen wordt. Toen ik een jaar of 10 geleden een huis heb gekocht leek mij Amsterdam Osdorp waar op dat moment Turkse en Marokkaanse vlaggen op straat hingen in verband met een of ander voetbal kampioenschap, ook niet de geschikte plek om met mijn (toenmalige) vriendje te gaan wonen. De trein tussen Almere en Amsterdam durf ik alleen te nemen als ik eerste klas ga, op een perron waar de meerderheid van de reizigers voor mijn gevoel uit Antilianen bestaat voel ik me niet op mijn gemak, en de krankzinnige mêlee waar ik in Amsterdam doorheen moet tussen het station en het Binnen Gasthuis is elke keer een aanslag op mijn zenuwen.
Bas van Stokkom geeft van dat laatste gevoel een mooie omschrijving in Wat een Hufter! Ergernis, lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing:
Overlastgevend gedrag, kan indien geaggregeerd, grote gevolgen hebben. Het wederzijds vertrouwen kan worden aangetast, terwijl het sociale leven een gedesorganiseerde indruk maakt. Stadsbewoners zijn daar gevoelig voor, want de anonimiteit van de publieke ruimte en de heterogeniteit van de de bevolking zetten juist een premie op het herkennen van ieders betrouwbaarheid. Zij doen veel moeite om te onderscheiden tussen degenen die wel en degenen die niet kunnen worden vertrouwd. Om die reden kunnen grote frequenties van overlastgevend gedrag angst en ongenoegen veroorzaken en het beeld van gering sociaal toezicht of onverschilligheid bevestigen. Het gevoel van een ‘gezamenlijke’ wereld wordt aangetast zonder dat er bij wijze van spreken iemand een haar gekrenkt wordt.
(p. 35)
Die laatste zin sluit mooi aan bij wat Heijne zegt over het gevoel van verlies of zelfs ontkenning van gemeenschapswaarden, van waarden die in een overzichtelijke gemeenschap gedeeld worden en niet in een abstracte “mensheid’.

Van Stokkom wijst ook een verschijnsel dat Heijne niet noemt, een omgekeerd proces van beschaving:
Onder invloed van de amusementsindustrie (sport, film, video en popmuziek) hebben macho-attitudes de laatste decennia brede ingang gevonden. Scheldwoorden en seksistische grappen die in ‘volkse’ lagen normaal worden gevonden hebben in de middenklassen een grotere populariteit gekregen. Ook vechtsporten, bodybuilding en tatoeages [en kaalgeschoren hoofden, die ik er erg agressief vind uitzien] lijken grotere ingang te hebben gekregen in burgerlijke milieus. Volkse gewoontes zijn dus respectabel geworden. Het gaat in feite om een omgekeerd proces van ‘beschaving’: geen zinkend cultuurgoed, maar een opwaartse doorwerking van volkse gedragsvormen, vooral via de commerciële media. Het proces onttrekt zich dan ook aan de klassieke heersende kaders (kerk, politiek, onderwijs).
(p. 69)
En wederom lijkt de laatste zin uit dit citaat toch weer aan te sluiten bij wat Heijne beweert.
Tot slot nog twee citaten, eerst een van Bas Heijne zelf in de NRC van 2 april 2011:

Dat is het fijne aan de slechtheid van anderen – je kunt jezelf zo heerlijk goed vinden. Zowel bij het aanhoudende graaigedrag van bankiers als bij de verbale ontsporingen van voetbalsupporters wordt gedaan alsof het om jammerlijke uitwassen gaat. Bankiers en supporters hebben, in de woorden van Smit, „het contact met de samenleving” verloren.
Is dat zo? Volgens mij hebben de graaiers en de hooligans juist heel goed contact met de samenleving; ze zijn er regelrecht het product van. De doodzonden waaraan ze zich schuldig maken, hebzucht en onfatsoen, staan op dit moment juist bijzonder hoog aangeschreven. Het idee dat je jezelf matigt uit respect voor de ander, dat je financieel een stapje terug doet in het belang van de gemeenschap – ik vind het een mooie gedachte, maar in Nederland anno nu is het vooral een gedachte.
En tenslotte de Italiaanse filosofe Michela Marzano uit een interview met Bas Heijne in NRC van 3 maart 2011:

Ons is geleerd dat we alles kunnen leren beheersen, niet alleen onszelf, maar ook de anderen. Ik denk dat het om een specifieke ideologie gaat, die is opgekomen in de jaren tachtig. Ieder individu was uniek en alleen aan zichzelf verantwoording schuldig. Samenwerking werd als een vorm van afhankelijkheid, en dus zwakte, gezien. In zijn zuiverste vorm vind je die ideologie terug in de managementboeken uit de voorbijgaande jaren. Het ging om een extreme opvatting van individualisme. Men ging ervan uit dat mensen niet langer de behoefte zouden hebben om samen te leven.
De samenleving krijgt niet alleen de regering die ze verdient, maar ook het populisme dat ze verdient. Degenen die nu zo hard tekeer gaan tegen het nieuwe populisme hebben dat voor een gedeelte misschien wel aan zichzelf te wijten. En verder is het natuurlijk de schuld van Nietzsche en Derrida