De omstreden bronnen van de islam

Het is lang geleden dat ik hier iets geschreven heb, berichtjes en berichten over wat er gebeurt, over de studie, mijn leven, en over boeken die ik lees komen allemaal op Facebook terecht. Maar nu wil ik een wat langer stukje wijden aan een boek dat ik eindelijk aan het lezen ben en bijna uit heb, De omstreden bronnen van de islam.

De omstreden bronnen van de Islam

Dit boek uit 2009 stond al sinds die tijd op mijn verlanglijstje. Het is gebaseerd op een serie artikelen uit 2006 in Trouw, waar ik toen nog een abonnement op had, die ik indertijd met rode oortjes heb gelezen. Eigenlijk weet ik niet goed waarom ik het vorige week ineens besteld heb, samen met Simone de Beauvoir’s De tweede sekse en Max Blecher’s Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid.

Avonturen in de alledaagse werkelijkheid De tweede sekse

Maar daar gaat het nu niet om, terug naar de omstreden bronnen!

Van de artikelen serie uit 2006 was me vooral de mogelijke vervanging van maagden (de 72 die op de ‘martelaren’ wachtten) in druiven, het fictieve karakter van Mohammed en de christelijke oorsprong van de islam bijgebleven. Dit komt ook nu allemaal uitgebreid aan de orde, samen met de verhalen die munten uit de 6e, 7e en 8e eeuw vertellen, en die in flinke tegenspraak zijn met de traditionele verhalen, de orthodoxe geschiedenis van de islam. Daar tegenover staan wat de schrijvers van het boek de revisionisten noemen, die een andere, en voor zover ik dat kan beoordelen, veel aannemelijker geschiedenis vertellen. Nou ben ik toch al niet zo gecharmeerd van religie en van verhalen die godsdiensten en godsdienstige claims ondersteunen, dus ik ben nauwelijks neutraal of onbevooroordeeld hierin.

Moeten wij van elkaar houden?

Afgelopen zondag heb ik op verzoek van Karen Vintges, onze docent bij Politieke en Sociale Filosofie, het laatste boek van Bas Heijne, Moeten wij van elkaar houden?, gelezen.

Bas Heijne - Moeten wij van elkaar houden?

Het boekje zelf is in een middag te lezen; het kostte niet veel meer tijd dan Bernard Haitink nodig had in het Zondagmiddag-concert voor zijn uitvoering van Mahler 9 met het Koninklijk Concertgebouw Orkest. En het aardige is dat het boekje ook een diepere relatie lijkt te hebben met Mahler dan alleen als een geschikte muzikale achtergrond, hetgeen op zich natuurlijk al een gruwel is: Mahler als achtergrondmuziek!

In de negende symfonie komt denk ik iets tot uitdrukking wat Heijne ook probeert te benadrukken: het samengaan van rede en emotie, of van individu en gemeenschap, in plaats van het uit elkaar drijven van die twee, waardoor er geen gesprek meer mogelijk is tussen de verschillende partijen in het huidige populisme debat.

In deze symfonie, en wat mij betreft is de negende de meest emotionele van al Mahlers symfonieën, hoor ik een in rede gevangen emotie, emotie die uitgedrukt wordt, en moet worden, binnen de strakke, logische kaders van de vierdelige klassieke symfonie, de vijf muziekstrepen, de twaalf noten van het octaaf en de harmonische regels, die Mahler dan wel weer tot het alleruiterste oprekt.

Bernard Haitink

Heijne refereert in het hoofdstuk over Pim Fortuyn, Verlos ons!, aan de figuur van de verlosser in de negentiende eeuwse romans en opera’s, met als voorbeelden de helden van de Wagner opera’s (de Hollander, Lohengrin, Tannhäuser, Walther von Stolzing, Parsifal) en prins Mysjkin in Dostojevski’s Idioot. Deze eenlingen drukken volgens Heijne de eeuwige en onoplosbare spanning tussen individu en gemeenschap uit, waarvoor in de negentiende eeuw en met name in de romantiek de verlossende rol gezocht werd in de kunst. Mahler was zelf een van de, en misschien wel de laatste, van deze negentiende eeuwse personificaties van dat verlangen om individu en gemeenschap tot elkaar te brengen, gezien zijn eigen uitspraak van een drievoudige verwijdering:

Ich bin dreifach heimatlos: als Böhme unter den Österreichern, als Österreicher unter den Deutschen und als Jude in der ganzen Welt.

Maar hiermee was hij misschien ook wel een van de eerste kunstenaars uit de twintigste eeuw die zich in Heijne’s karakterisering juist van de wereld afkeerde en alleen nog een ziener voor zichzelf wilde zijn. Fortuyn vergeleek zich volgens Heijne in De verweesde samenleving zelfs met Mozes, die het Nederlandse volk weer terug kon voeren naar hun verloren gegane, beloofde land.

Pim Fortuyn - De verweesde samenleving

Heijne verwijt de “linkse elite” of de zelfbenoemde erfgenamen van de Verlichting vooral dat ze de huidige populistische stroming over zichzelf hebben afgeroepen, net zoals hij dat deed in zijn artikel in NRC Handelsblad van 31 december 2010, Het populisme keert zich tegen de Verlichting – niet geheel onterecht, dat in het boek in gewijzigde vorm terug keert als het hoofdstuk met de titel Een dode kariboe.

Sarah Palin en dode kariboe

Met de kariboe die Sarah Palin voor het oog – en ongetwijfeld gemanipuleerd – van de camera’s doodschiet om de diepvries van haar familie van vlees te voorzien, wil ze volgens Heijne een duidelijke boodschap overbrengen:

De mensen die zichzelf idealistisch noemen, die zeggen het goede voor te staan, kijken op een fatale manier weg van de werkelijkheid. De wereld is namelijk niet goed.
(p. 81)

Als de wereld niet goed is, dan vallen mensen op heel natuurlijke wijze terug op het beschermingsmechanisme dat door de hele geschiedenis heen gewerkt heeft en in de evolutie diep in de genen is gegrift: zich terugtrekken in een groep van gelijkgestemden en bekenden. Om iets vreemds te accepteren moet je jezelf veilig voelen. Wat vreemd is, is altijd bedreigend, en die dreiging is niet via abstracties als gelijkheid, vrijheid en tolerantie op te heffen. Zoals Heijne het zelf formuleert:

[H]et andere is geen verrijking als die mensen uit die andere cultuur bij je om de hoek wonen. Het is een bedreiging.
(p. 101)

Heijne geeft als voorbeeld uit Nederland de uitspraak van Job Cohen dat wat de Nederlandse samenleving bij elkaar houdt de gemeenschappelijke rechtstaat is. Als we ons binnen de grenzen van die rechtsstaat bewegen, kunne we volgens Cohen prima samenleven met meer dan honderd culturen door elkaar en kan daarbinnen iedereen “helemaal zich zelf zijn.” Wat Cohen volgens Heijne daarbij vergeet is dat ‘rechtstaat’ een abstractie, een idee van de rede, is, en geen voldoende tegenwicht kan bieden tegen de emoties die in een samenleving met met meer dan honderd culturen onvermijdelijk oplaaien.

Tegen emoties staat de rede vrijwel machteloos, dat wist Spinoza al toen hij in propositie 7 van deel 4 van zijn Ethica zei: “Een reactie [passie,emotie] kan alleen bedwongen worden of opgeheven worden door een tegenovergestelde reactie die sterker is dan de te bedwingen reactie.” (vertaling Wim Klever, Ethicom p. 471)

Ethicom

Met redelijkheid en abstractie alleen bereik je niet veel, dat is volgens Heijne een van de dingen die de “multiculturalisten” over het hoofd hebben gezien. Daarnaast constateert Heijne dat de abstracties van gelijkheid, rechtvaardigheid, vrijheid ook nog eens niet goed te verenigen zijn met andere abstracties als individualiteit en subjectiviteit:

Wanneer er in een cultuur een tendens bestaat om alles steeds persoonlijker te maken, wanneer er in een commerciële massacultuur steeds meer nadruk wordt gelegd op het primaat van de belevingswereld, de subjectieve blik als middel tot zelfverwerkelijking, dan zal er weinig animo zijn voor begrippen waarin naar een zo groot mogelijke objectiviteit wordt gestreefd, of voor instituten die nadrukkelijk buiten, of liever gezegd boven jouw kleine wereld staan. Wie jou wil overhalen die onpersoonlijke abstracties boven je te erkennen, zal over veel overtuigingskracht moeten beschikken.
(p. 73)

Die overtuigingskracht bereik je in elk geval niet door een afkeer uit te spreken van de boodschap of van de verpakking van de boodschap die de rechts-populisten willen uitdragen. Daarmee versterk je alleen maar het gevoel dat “zij in Den Haag” niet meer weten wat “ons” bezighoudt. Of zoals Heijne zegt:

De idealen van een gegoede, zichzelf als progressief beschouwende klasse staan te vaak op gespannen voet met de werkelijkheid. Wanneer die idealen onder vuur komen te liggen, door populisten als Palin en Bosma, worden de onruststokers verafschuwd, veroordeeld of betreurd. Zelden worden ze adequaat van repliek gediend.
(p. 86)

Het onbegrip, of zelfs de weigering om begrip op te brengen, voor de zere plek waar de populisten op wijzen en die ze trefzeker weten te raken, loopt als een rode draad door het boek van Heijne.

Een voorbeeld dat hij hiervan geeft is een boek van Zeev Sternhell, Les anti-Lumières, uit 2006. Daarin beschrijft Sternhell de opkomst van een anti-Verlichtingsdenken bij filosofen als Burke en Herder, dat hij niet zozeer als een reactie op de eenzijdige nadruk op rede en gelijkheid van de Verlichting benadert, maar als een denkrichting die parallel aan de Verlichting tot ontwikkeling komt, met tegengestelde ideeën over gemeenschap en individu, gevoel en rede en over volk, cultuur en geschiedenis aan de ene kant tegenover een besef van gedeelde menselijkheid aan de andere kant. Heijne noemt Sternhell kortzichtig omdat hij in zijn analyse van deze twee vormen van moderniteit, eenzijdig partij trekt voor de kant van de Verlichting en de andere kant lijkt te zien als een uiting van het kwaad zelf:

Geen moment lijkt hij open te staan voor de argumenten van de verlichtingskritiek. Voor hem is het een strijd tussen goed en kwaad: het vrije rationele individu aan de ene kant, een individu dat zich in de ander kan herkennen door een besef van algemeen geldende menselijke waarden, recht tegenover de mens die zich onderdompelt in zijn romantische idee van volksverwantschap en zich niets gelegen laat liggen aan abstracties zoals de Rechten van de Mens. Verlichtingskritiek doet Sternhell consequent af als heulen met de vijand.
(p. 108)

Volgens Heijne trekt Sternhell een directe lijn van het anti-verlichtingsdenken van Burke en Herder naar de Holocaust en andere gruwelen van de twintigste eeuw. Je kunt hier wellicht ook een echo van Hannah Arendt in zien als zij in The Origins of Totalitarianism zegt dat in de periode tussen de twee wereldoorlogen de algemene rechten van de mens slechts een abstractie bleken te zijn niet verdedigd of afgedwongen konden worden.

Hannah Arendt - The origins of Totalitarianism

Heijne denkt dat de fout die in het populisme debat, en dan vooral door de Verlichtings-kant, gemaakt wordt, is om de twee botsende opvattingen van moderniteit te zien als een strijd tussen goed en kwaad in plaats van als een bij uitstek menselijke worsteling:

Individu en ratio aan de ene kant, gemeenschap en gevoel aan de andere kant: je hoeft niet over een groot inzicht in de menselijke natuur te beschikken om te beseffen dat een mens voortdurend heen en weer geslingerd zal worden tussen die twee uitersten, en dat ieder wereldbeeld dat de nadruk legt op het een, op een gegeven moment geconfronteerd zal worden met zijn tegenbeeld.
(p. 109)

Een interessant intermezzo in het betoog vond ik het hoofdstuk over de Rijdende rechter mr. Frank Visser. Heijne laat hier zien dat het beeld van de burger die, zoals hij zelf omschrijft, “geen gezag meer zou erkennen, geneigd is alles vanuit zijn eigen belang af te wegen, en een al maar groter wantrouwen zou koesteren tegenover de gevestigde instituten” (p. 67) niet kan kloppen. Wat hij ziet in die uitzendingen, en dan eigenlijk in Recht in de regio als variant, zijn juist burgers die snakken naar autoriteit en duidelijkheid. Wat ze niet meer willen zijn instituties op afstand, waarin de blinddoek van Vrouw Justitia eerder gezien wordt als een teken van blind zijn voor de werkelijkheid dan van onpartijdigheid. Wat de burgers, die, hoewel ze in bijna alle gevallen met hun klachten in het ongelijk gesteld worden, toch tevreden lijken te zijn met de uitspraak van de rechter die in hun kroeg of buurthuis komt rechtspreken, hebben ervaren is dat ze gezien en gehoord (p. 70) zijn.

De rijdende rechter

Heijne’s analyse valt zo ongeveer samen met mijn eigen opvatting. Ik verbaas me al een paar jaar over de anti-Wilders kramp waarin zoveel mensen vervallen, zonder dat iemand zich lijkt af te vragen wáárom er eigenlijk zoveel mensen op Geert Wilders stemmen. Die mensen willen iets zeggen, iets duidelijk maken, dat blijkbaar door de meer “redelijke” politieke partijen niet gezien of gehoord wordt. In een democratie kun je deze mensen niet afdoen als ‘dom’ of ‘misleid’, zoals Rousseau in Het maatschappelijk verdrag op p. 69 doet wanneer hij zegt: “Het volk is nooit corrupt, maar het wordt wel vaak misleid, en alleen dán schijnt het te willen wat slecht is.”

Jean-Jacques Rousseau - Het maatschappelijk verdrag

In een democratie hoort iedere stem gehoord te worden en serieus genomen te worden, maar natuurlijk niet altijd gevolgd te worden. Als je niet bereid bent om te luisteren, echt te luisteren, dan verliest de democratie haar betekenis. Dan krijg je een situatie die Jonathan Lear beschrijft (Open Minded, p. 5) over een congres waar iedereen Freud afdoet als volslagen achterhaald, zonder ooit iets van Freud gelezen te hebben en dat ook niet van plan is omdat hij nu eenmaal achterhaald is.

Jonathan Lear - Open Minded

Als een persoonlijke noot kan ik ook nog wel toegeven dat ik soms ook het gevoel heb dat ik maar op Geert Wilders moet stemmen. Bijvoorbeeld toen meneer Hirsch Ballin het wetsartikel over smadelijke godslastering – dat nog steeds in de wet staat, o gruwel – wilde oprekken zodat elke levensovertuiging er onder zou vallen. Dat zou volgens mij vooral door moslims aangegrepen worden om elk kritisch woord over de islam onmogelijk te maken. Ik vertrouw geen enkele gelovige, en vooral niet als die religie luidkeels uitgedragen wordt. Toen ik een jaar of 10 geleden een huis heb gekocht leek mij Amsterdam Osdorp waar op dat moment Turkse en Marokkaanse vlaggen op straat hingen in verband met een of ander voetbal kampioenschap, ook niet de geschikte plek om met mijn (toenmalige) vriendje te gaan wonen. De trein tussen Almere en Amsterdam durf ik alleen te nemen als ik eerste klas ga, op een perron waar de meerderheid van de reizigers voor mijn gevoel uit Antilianen bestaat voel ik me niet op mijn gemak, en de krankzinnige mêlee waar ik in Amsterdam doorheen moet tussen het station en het Binnen Gasthuis is elke keer een aanslag op mijn zenuwen.

Bas van Stokkom geeft van dat laatste gevoel een mooie omschrijving in Wat een Hufter! Ergernis, lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing:

Overlastgevend gedrag, kan indien geaggregeerd, grote gevolgen hebben. Het wederzijds vertrouwen kan worden aangetast, terwijl het sociale leven een gedesorganiseerde indruk maakt. Stadsbewoners zijn daar gevoelig voor, want de anonimiteit van de publieke ruimte en de heterogeniteit van de de bevolking zetten juist een premie op het herkennen van ieders betrouwbaarheid. Zij doen veel moeite om te onderscheiden tussen degenen die wel en degenen die niet kunnen worden vertrouwd. Om die reden kunnen grote frequenties van overlastgevend gedrag angst en ongenoegen veroorzaken en het beeld van gering sociaal toezicht of onverschilligheid bevestigen. Het gevoel van een ‘gezamenlijke’ wereld wordt aangetast zonder dat er bij wijze van spreken iemand een haar gekrenkt wordt.
(p. 35)

Die laatste zin sluit mooi aan bij wat Heijne zegt over het gevoel van verlies of zelfs ontkenning van gemeenschapswaarden, van waarden die in een overzichtelijke gemeenschap gedeeld worden en niet in een abstracte “mensheid’.

Bas van Stokkom - wat en hufter!

Van Stokkom wijst ook een verschijnsel dat Heijne niet noemt, een omgekeerd proces van beschaving:

Onder invloed van de amusementsindustrie (sport, film, video en popmuziek) hebben macho-attitudes de laatste decennia brede ingang gevonden. Scheldwoorden en seksistische grappen die in ‘volkse’ lagen normaal worden gevonden hebben in de middenklassen een grotere populariteit gekregen. Ook vechtsporten, bodybuilding en tatoeages [en kaalgeschoren hoofden, die ik er erg agressief vind uitzien] lijken grotere ingang te hebben gekregen in burgerlijke milieus. Volkse gewoontes zijn dus respectabel geworden. Het gaat in feite om een omgekeerd proces van ‘beschaving': geen zinkend cultuurgoed, maar een opwaartse doorwerking van volkse gedragsvormen, vooral via de commerciële media. Het proces onttrekt zich dan ook aan de klassieke heersende kaders (kerk, politiek, onderwijs).
(p. 69)

En wederom lijkt de laatste zin uit dit citaat toch weer aan te sluiten bij wat Heijne beweert.

Tot slot nog twee citaten, eerst een van Bas Heijne zelf in de NRC van 2 april 2011:

Bas Heijne

Dat is het fijne aan de slechtheid van anderen – je kunt jezelf zo heerlijk goed vinden. Zowel bij het aanhoudende graaigedrag van bankiers als bij de verbale ontsporingen van voetbalsupporters wordt gedaan alsof het om jammerlijke uitwassen gaat. Bankiers en supporters hebben, in de woorden van Smit, „het contact met de samenleving” verloren.

Is dat zo? Volgens mij hebben de graaiers en de hooligans juist heel goed contact met de samenleving; ze zijn er regelrecht het product van. De doodzonden waaraan ze zich schuldig maken, hebzucht en onfatsoen, staan op dit moment juist bijzonder hoog aangeschreven. Het idee dat je jezelf matigt uit respect voor de ander, dat je financieel een stapje terug doet in het belang van de gemeenschap – ik vind het een mooie gedachte, maar in Nederland anno nu is het vooral een gedachte.

En tenslotte de Italiaanse filosofe Michela Marzano uit een interview met Bas Heijne in NRC van 3 maart 2011:

Michela Marzano

Ons is geleerd dat we alles kunnen leren beheersen, niet alleen onszelf, maar ook de anderen. Ik denk dat het om een specifieke ideologie gaat, die is opgekomen in de jaren tachtig. Ieder individu was uniek en alleen aan zichzelf verantwoording schuldig. Samenwerking werd als een vorm van afhankelijkheid, en dus zwakte, gezien. In zijn zuiverste vorm vind je die ideologie terug in de managementboeken uit de voorbijgaande jaren. Het ging om een extreme opvatting van individualisme. Men ging ervan uit dat mensen niet langer de behoefte zouden hebben om samen te leven.

De samenleving krijgt niet alleen de regering die ze verdient, maar ook het populisme dat ze verdient. Degenen die nu zo hard tekeer gaan tegen het nieuwe populisme hebben dat voor een gedeelte misschien wel aan zichzelf te wijten. En verder is het natuurlijk de schuld van Nietzsche en Derrida :-)

Veranderlijke dienstregeling

Niet alleen lijkt Univé, een verzekeringsmaatschappij, op te roepen om vooral geen verzekering af te sluiten, ook de NS heeft een rare manier om veranderingen in de dienstregeling aan te kondigen.

NS - dienstregeling

Wat zou de zin “vanaf 12 december verandert de dienstregeling” nou precies betekenen? als ik dit lees, dan denk ik dat er ergens op of na 2 december iets aan de dienstregeling gaat veranderen, en dat het onduidelijk is wanneer dat zal zijn, of er maar één keer iets gaat veranderen of dat de dienstregeling vaker gaat veranderen. Misschien zijn er wel een onvoorspelbare veranderingen op onbekende data, waarvan de NS als enige weet dat die na 1 december zullen vallen.

Gelukkig stelde de omroepster op Amsterdam CS mij vandaag gerust:

Vanaf 12 december geldt een gewijzigde dienstregeling

Dt klonk een stuk betrouwbaarder, een éénmalige wijziging op 12 december en niet de veranderlijke dienstregeling die de NS op papier aankondigde. Dat laatste is misschien een vooraankondiging van het “spoorboekloos rijden” waarmee de NS de reizigers dreigt. Dat lijkt mij vooral een excuus voor totale chaos, een toestand waarin je helemaal niet meer weet wanneer er een trein gaat, of er nog wel een onderscheid is tussen stoptreinen en intercity’s, of je de stoptrein voorbij kunt laten gaan en voor het relatieve comfort van de intercity kunt kiezen, die over een nog onbekend aantal minuten misschien zal stoppen. Een gegarandeerd recept voor een flinke hoeveelheid zenuwen!

Ik betaal niet graag voor zorg die ik niet gebruik

Aan het einde van het jaar worden wij als vrije, autonome en onafhankelijke burgers van de vrijstaat Nederland weer opgeroepen om na te denken en een rationele, beargumenteerde beslissing te nemen over onze ziektekostenverzekering. De verzekeringsmaatschappijen proberen ons op de vrije markt van de verzekeringspolissen te verleiden om onze gezondheid in hun handen te leggen. Daarbij schuwen we geen enkel middel tot overtuiging en verleiding. Zelfs argumenten die logisch inconsistent zijn en het hele begrip “verzekering” achteloos op de vuilnishoop van achterhaalde meningen storten, worden daarbij niet geschuwd.

zekur.nl zekur.nl

Deze foto’s heb ik vandaag gemaakt op het station Almere Buiten. Lees nog eens goed de tekst die op de posters staat en laat dit goed doordringen:

Ik betaal niet graag voor zorg die ik niet gebruik.

Denk nu aan wat het betekent om je ergens tegen te verzekeren en kauw nog een keer op de tekst, net zolang tot de absurditeit ervan doordringt:

Ik betaal niet graag voor zorg die ik niet gebruik.

Het hele idee van een verzekering is dat je betaalt voor iets waarvan je hoopt dat je het nooit nodig zult hebben. De brandverzekering voor je huis, de inboedelverzekering voor alle kostbare en dierbare spullen die je in de loop van je leven hebt verzameld, de aansprakelijkheidsverzekering voor onverhoopte schade die je aan of bij iemand anders teweeg brengt, zijn neem ik aan voor iedereen bekende voorbeelden van dit idee. Je hoopt dat je nooit van deze verzekeringen gebruik hoeft te maken, en tegelijkertijd weet je dat je, mocht je toch iets overkomen dat tot hoge, niet te overziene of niet op te brengen kosten zal leiden, de verzekering die je daar voor hebt afgesloten kunt gebruiken zodat je niet voor de rest van je leven in diepe armoede en beladen met schulden hoeft door te brengen.

Voor een ziektekostenverzekering lijkt mij het zelfde principe te gelden. Niemand zal daar graag een beroep op willen doen, want dat betekent dat zich een serieuze bedreiging van je gezondheid heeft aangediend, waarbij de kosten die het met zich meebrengt om deze bedreiging het hoofd te bieden, je financiële middelen (ver) te boven gaan. Gelukkig kun je dan een beroep doen op je ziektekostenverzekering. En het aardige daarvan is dat het hele systeem werkt omdat iedereen die aan zo’n verzekering meedoet dat doet juist omdat hij of zij hoopt dat hij of zij de zorg die door de verzekering betaald wordt, nooit zal hoeven te gebruiken.

Het idee van een verzekering, het hele bestaansrecht van het hele instituut verzekering, berust op het betalen voor iets waarvan je hoopt dat je het nooit zult gebruiken. En als je er onverhoopt wel gebruik van moet maken, dan kan dat alleen maar omdat een hele boel mensen hebben betaald voor iets waarvan ze zelf nooit gebruik hopen te maken. De tekst “Ik betaal niet graag voor zorg die ik niet gebruik” ontkent dus het hele begrip “verzekeren” en zou helemaal niet gebruikt kunnen worden als reclame voor een verzekeringsmaatschappij.

Deze flagrante ontkenning van een verzekering door een verzekeringsmaatschappij is in het beste geval een ondoordachte uiting, erger een uiting van volslagen onbegrip, en in het slechtste geval een indicatie van de teloorgang van onze maatschappij, waarin het “ieder voor zich” hoogtij viert. De enige logische conclusie van de gedachte “Ik betaal niet graag voor zorg die ik niet gebruik” is om geen verzekering af te sluiten, en het risico op kosten bij ziekte geheel en al zelf te dragen.

Dat is de énige, en ook echt de énige manier, om deze tekst serieus te nemen. En dat lijkt me toch niet de bedoeling van Univé.

Rechters en conducteurs

Afgelopen donderdag stond er een artikel in de NRC over de werksfeer, maar vooral de werkhouding van de rechterlijke macht.

Normaal zou ik hier een link naar het artikel zetten en een foto opnemen die naar het artikel verwijst, maar de site van de NRC is, net zoals die van andere kranten min of meer onleesbaar geworden door de enorme hoeveelheid advertenties die je om de oren (of beter: om de ogen) vliegen. Verwijzingen naar artikelen lijken ook nauwelijks nog mogelijk en de elektronische versie is zo afgeschermd dat daar niets meer uit overgenomen kan worden. Dat zal allemaal wel iets met copyright te maken hebben, maar op zo’n manier verliest het World Wide Web, dat ooit begonnen is in CERN, als een manier om wetenschappelijke artikelen beter toegankelijk te maken, en dat daarna de niet-wetenschappelijke wereld aan elkaar heeft gekoppeld, volledig zijn karakter en doelstelling. Het advertentiegehalte is inmiddels zo hoog geworden, dat het niet zo heel lang meer duurt, dat ik Internet nog alleen gebruik om artikelen in de Stanford Encyclopedia of Philosophy op te zoeken en om via het UvA VPN artikelen uit filosofische tijdschriften te lezen. Kortom, de oorspronkelijk functie van het Web.

Toga
Vooruit, toch een foto uit de krant

In het artikel dat is geschreven naar aanleiding van een net verschenen boek van raadsheer Rinus Otto, zegt deze onder andere het volgende:

Hij stelt vast dat strafrechters „grote attitudeproblemen” hebben. Ze zijn veeleisend en klagen veel. Ze overvragen de leiding, laten zich onbehoorlijk uit, zijn soms lui en gedragen zich als slachtoffers.

Nou is dit – als het waar is, en ik zou eigenlijk niet zo goed weten waarom het niet waar zou zijn – ernstig genoeg. Maar ik schrijf dit stukje eigenlijk niet zozeer over de rechters, want daar heb ik niet dageijks mee te maken. Waar ik bij lezing onmiddellijk aan moest denken, was het gedrag van conducteurs, NS personeel, en ander daarom heen hangend volk. Vooral ‘s avonds veranderen deze de coupé, waarin ze binnenvallen, in een dependance van de NS kantine. Reizigers, betalende reizigers, lijken in het geheel niet te bestaan. Ze gaan zo ver mogelijk uit elkaar zitten, en spuien hun frustraties luidkeels. In mijn ervaring zijn er geen hinderlijkere en meer lawaaiige reizigers dan het personeel van de NS zelf. De omschrijvingen die ik over de rechters lees, kan ik zo toepassen op conducteurs.

NS logo

Wat conducteurs in elk geval niet, of nog slechts sporadisch doen, is kaartjes controleren. En ze stellen zich al helemaal niet meer op als de gastheer of gastvrouw in de trein, die het zijn of haar verantwoordelijkheid vindt om de reiziger en prettige reis te bezorgen en een veilig gevoel te bezorgen. Afgelopen donderdag bijvoorbeeld, toen er zowaar een keer kaartcontrole was, werd die uitgevoerd door een kauwgum kauwende, horkerige conducteur die zichzelf geloof ik erg grappig vond. ‘s Avonds terug ploften er twee conducteurs neer in de stiltecoupé waar ik zat, en toen ik na een tijdje vroeg of ze de borden “stilte” zouden willen respecteren, was hun reactie dat ze niet hadden gemerkt dat ze in een stiltecoupé waren gaan zitten. Euh, conducteurs die niet weten hoe hun eigen trein in elkaar zit?

Laat ik het er maar op houden, dat na de conducteurs ook de rechters aan het verloederen zijn in een samenleving die zo langzamerhand geen flauw benul meer heeft van intrinsieke waarden en alleen nog maar in externe doelen denkt die uitsluitend in geld kunnen worden uitgedrukt.

Beroemde Grieken

Na Herodotos en zijn geschiedenis van de Perzische oorlogen, die over veel meer gaat dan die oorlogen, heb ik een paar Griekse biografieën die door Ploutarchos zijn geschreven, gelezen.

Ploutarchos
Ploutarchos – Museum in Delfi

In 2007 en 2008 is een selectie uit zijn Βίοι παράλληλοι (Parallelle levens) in een tweedelige Nederlandse vertaling verschenen, met in één deel levensbeschrijvingen van twaalf Grieken en in het andere deel van twaalf Romeinen. Omdat ik de Griekse geschiedenis boeiender vind dan de Romeinse (meer filosofie en minder oorlog denk ik) heb ik me wel laten verleiden om Beroemde Grieken te kopen, maar is Beroemde Romeinen nog niet in mijn boekenkast belandt.

Ploutarchos - Beroemde Grieken
Dit zijn Lykourgos, Solon, Themistokles, Perikles, Alkibiades, Agesilaos, Dion, Fokion, Demosthenes, Alexander, Pyrrhos, Filopoimen. Maar wie is nou wie?

Ik ben begonnen met de biografie van Themistokles, omdat hij, ondanks zijn belangrijke, misschien wel doorslaggevende rol in de zeeslagen bij Artemision, die samenviel met de slag bij Thermopylai, en bij Salamis, die leidde tot de vlucht van Xerxes, door Herodotos nogal negatief wordt beschreven, als een aartsintrigant en opportunist. Dat aspect zit ook wel in de beschrijving van Ploutarchos, die hem eerzuchtig noemt en zelfs “bezeten van begeerte naar roem”, maar die vooral benadrukt dat de redding van Griekenland en Athene aan Themistokles te danken was:

[D]at de redding van Griekenland op dat moment van de zee kwam en dat die triëren de stad Athene weer overeind hielpen, daarvoor was Xerxes zelf de beste getuige. Want hoewel zijn landmacht intact bleef, sloeg hij na de nederlaag van zijn schepen op de vlucht omdat hij zich niet tegen de strijd opgewassen voelde, en hij liet Mardonios naar mijn mening eerder achter om de Grieken in hun achtervolging te stuiten dan om ze te onderwerpen.

Themistokles, c. 5, p. 79

Na de Perzische nederlaag bij Salamis en de daarop volgende terugtocht van Xerxes, die ik eerlijk gezegd nog steeds niet begrijp, en de uiteindelijke nederlaag van het Perzische leger bij Plataia en de Perzische vloot bij Mykale, was Themistokles in Athene blijkbaar nog lang een belangrijk man, maar uiteindelijk is hij, waarschijnlijk uit angst voor zijn machtige en invloedrijke positie verbannen.

Ostrakon voor Themistokles
Scherf waarmee “Themistokles, zoon van Neokles” werd verbannen

Behalve de biografie van Themistokles heb ik die van Lykourgos, de mythische wetgever van Sparta, die van Solon, de wetgever van Athene, en die van Perikles, Alkibiades en uiteraard Alexander gelezen.

Uit de biografie van Lykourgos spreekt een duidelijke bewondering van Ploutarchos voor Sparta, maar tegelijk is hij blijkbaar ook een aanhanger van Perikles die hij “mild, rechtvaardig, en bestand tegen de dwaasheden van zijn volk en ambtgenoten” noemt.

Perikles en ik, 1998
Naast Perikles. British Museum, december 1998

Wat me in de biografie van Perikles onder andere opviel was dat de Atheners volgens Ploutarchos de Peloponnesische oorlog, die tot de nederlaag van Athene zou leiden, min of meer zelf over zich hebben afgeroepen doordat ze, daartoe aangezet door Perikles, niet in wilden gaan op herhaalde verzoeken van Sparta om hun conflicten vreedzaam op te lossen. Om dit beter te kunnen beoordelen moet ik nu toch echt het boek van Thucydides over die oorlog gaan lezen.

Thucydides - Een blijvend bezit Henk Singor - De komst van Alexander

Maar eerst Henk Singors boek over Alexander, en natuurlijk Aristoteles en Kant, heel erg veel Kant.

Ein philosophischer Weltbürger

Vrijdag ben ik begonnen in een pas uitgekomen biografie van Arthur Schopenhauer, wiens 150e sterfdag op 21 september 1860 aanleiding is voor de uitgave van een paar nieuwe boeken.

Robert Zimmer - Arthur Schopenhauer

Inmiddels ben ik aangekomen bij Schopenhauers eigen filosofiestudie, in Göttingen en Berlijn. Interessant om iets over zijn verband met Kant, Fichte, Schelling en Hegel te lezen. Zeker omdat ik nu een college over Kant volg, en volgend semester een vervolg over het Duitse Idealisme van, inderdaad, Fichte, Schelling en Hegel.

Arthur Schopenhauer, 1809 - A. Krausse
Arthur Schopenhauer in 1809; ets van A. Krausse

Ik kwam ook het min of meer doodgegooide citaat tegen waarin Schopenhauer aan Christoph Martin Wieland, een schrijver die hij uit Weimar kende, verklaart waarom hij van medicijnen naar filosofie is overgestapt:

Das Leben ist eine mißliche Sache, ich habe mir vorgesetzt, es damit hinzubringen, über dasselbe nachzudenken.”

Grappig is dat Schopenhauer’s voorkeur voor Plato boven Aristoteles precies omgekeerd is aan de mijne, maar dat ik toch enorm aangetrokken wordt door Schopenhauer. Ik denk dat zijn intellectuele activiteit (zie citaat) uitstekend overeenkomt met de hoge waarde die Aristoteles aan het theoretische leven hecht en waarover hij in boek X van de Ethica Nicomachea zegt:

Alles wijst erop dat de man die in overeenstemming met zijn intellect handelt en dit koestert, niet alleen in de beste staat verkeert, maar ook de goden het meest dierbaar is.”

Vrijdag ben ik ook begonnen aan een opzet voor het tentamenessay voor het college over Kants transcendentale deductie en transcendentaal-idealisme. Dat wil ik aan de hand van Schopenhauers kritiek op Kant doen. Ik moet alleen instemming hiervoor hebben van Dennis Schulting, onze docent, die erg in de analytische school lijkt te zitten. Maar dat gaat vast wel lukken!

Kant en andere fictionele filosofen

In mijn niet aflatende koopwoede, die voor mijn eigen geruststelling en verantwoording meestal gerelateerd is aan de onderwerpen van studie heb ik een boek gekocht met als titel Kritiek van de criminele rede. Robert noemde dit boek in een Facebook conversatie een paar weken geleden, en, zoals de titel suggereert, heeft het boek te maken met Immanuel Kant, over wiens Kritiek van de zuivere rede, en dan daaruit de transcendentale deductie van de categorieën, ik mijn eerste specialisatievak volg.

Michael Gregorio - Kritiek van de criminele rede

Het boek is een detective – zoals de titel al aangeeft – die zich afspeelt in Königsberg, ik neem aan in 1803-1804. Ik ben nog niet in het boek begonnen, dus ik moet afgaan op de beschrijving op de achterflap en de opening van het eerste hoofdstuk. Enig bladeren in het boek laat zien Kant zelf inderdaad als personage voorkomt, naast in elk geval een van zijn biografen, Reinhold Jachmann, en zijn knecht Lampe en diens vrouw.

Volgens de tekst op de achterkant lijkt het boek in de winter van 1804 te spelen:

Königsberg, de winter van 1804. In de vrieskou worden lijken gevonden zonder duidelijke doodsoorzaak en in een bizarre lichaamshouding. De plaatselijke bevolking meent dat de doden slachtoffers zijn van de duivel. Hanno Stiffeniis, een jonge magistraat en voormalige student van Immanuel Kant, twijfelt en probeert te beredeneren wie de dader van deze misdaden kan zijn. Totdat hij erachter komt dat het motief voor de moorden juist in zijn eigen verleden blijkt te zijn ontstaan.

Even afgezien van die laatste opmerking, die nogal als een cliché overkomt – onderzoeker stuit op zijn eigen verleden, joehoe! – ben ik benieuwd op welke manier Kant gaat optreden, omdat deze in februari 1804, midden in de bijzonder strenge winter, is overleden, en omdat hij in de jaren voor zijn dood behoorlijk aan het dementeren was en lichamelijk zo verzwakt was dat hij de deur niet meer uit kwam. Volgens de biografie van Manfred Kühn, die ik net uit heb, kwam hij na 1801 nauwelijks nog zijn huis uit, dus ontmoetingen buiten in het boek van Gregorio zouden voor die tijd moeten hebben plaatsgevonden. Omdat in de verantwoording staat dat de auteurs (Michael Gregorio is de schrijversnaam van het echtpaar Michael G. Jacob en Daniela de Grogorio) de biografie van Kühn hebben gebruikt neem ik aan dat ze zich geen vrijheden ten opzichte van de werkelijke geschiedenis hebben veroorloofd.

Ik ben benieuwd naar de hulp die Kant bij het oplossen van de moorden in Königsberg kan leveren. Ondertussen probeer ik om de raadsels van de transcendentale deductie, de afleiding van de aanschouwingsvormen van tijd en ruimte en het transcendentaal idealisme te doorgronden met behulp van een hele serie commentaren waaronder die van Martin Heidegger, wiens Kant boek geloof ik nog lastiger is dan Kant zelf.

Immanuel Kant - Kritik der reinen Vernunft Immanuel Kant - Kritik der reinen Vernunft Henry Allison - Kant's transcendental idealism Peter Strawson - The bounds of sense
Martin Heidegger - Kant und das Problem der Metaphysik Karl Paul Paul

Naar aanleiding van de Kritiek van de criminele rede vroeg ik mij af welke andere fictie of gefictionaliseerde geschiedenis ik ken waarin bekende filosofen optreden, en ik kan eerlijk gezegd niet zo veel boeken bedenken. Filosofen zijn denk ik geen heel erg aansprekende personen, en dan is het wel weer grappig dat nou juist Kant, over wie Heinrich Heine heeft gezegd dat hij noch een leven, nog een geschiedenis had, wel optreedt. Uit mijn eigen bibliotheek kom ik niet veel verder dan de historische romans van Mary Renault, waaraan ik een jaar of twee geleden een artikeltje heb gewijd, en waarin Sokrates, Plato en Aristoteles figureren, dan wel, zoals in The mask of Apollo, een hoofdrol hebben, en Imperium van Robert Harris, zijn eerste roman over Cicero, van wie je je af kunt vragen of dat wel echt een filosoof was.

Mary Renault - The last of the wine Mary Renault - The mask of Apollo Mary Renault - Fire from heaven Robert

Omdat ik naast het college over Kant en de transcendentale deductie ook een college over Aristoteles en zijn opvatting van geluk volg, heb ik vanmiddag een beetje gezocht in Fire from heaven, de geschiedenis van de jeugd van Alexander de Grote, naar optredens van Aristoteles. Het was plezierig, en eerlijk gezegd af en toe ontroerend, om weer een paar stukjes in een van Mary Renaults boeken over Alexander de lezen. Na de introductie van Aristoteles in hoofdstuk 5, waarin we eerst het perspectief van Aristoteles zien, die vanuit Mytilene per schip aankomt in Pella, verschuift het perspectief naar Alexander, op dat moment een 14-jarige jongen, die Aristoteles opwacht aan de kade. Hun eerste ontmoeting wordt als volgt beschreven:

He was a lean smallish man, not ill-proportioned, who yet gave at first sight the effect of being all head. His whole person was commanded by his wide bulging brow, a vessel stretched by its contents. Small busy eyes were busy recording, without prejudgment or error, just what they saw. The mouth was closed in a line precise as a definition. He had a short neat beard; his thinning hair looked as if its roots had been forced apart by the growth of the massive brain.
A second glance revealed him to be dressed with some care and with the elegance of Ionia, wearing one or two good rings. Athenians thought him rather foppish; in Macedon, he looked tasteful and free from hard austerity. Alexander offered him a hand to mount the gangplank, and tried the effect of a smile. When the man returned it, it could be seen that smiling was what he could do best; he would not often be caught with his head back laughing. But he did look like a man who would answer questions.

Mary Renault – Fire from heaven, p. 157

In haar nawoord herinnert Mary Renault er nog eens aan dat we niets (of heel weinig) weten van wat Aristoteles aan Alexander en zijn vrienden die mee gegaan zijn naar Mieza voor een kleine twee jaar filosofisch onderwijs, heeft geleerd. Wel bekend is dat Alexander tijdens zijn Perzische veldtochten monsters van inheemse planten en dieren heeft gestuurd. Hun verhouding moet dan, neem ik aan, wel goed geweest zijn. Wat Mary Renault ook zegt is dat er een boek van Aristoteles is geweest, een boek dat met een heleboel anderen verloren is gegaan, met brieven aan Hefaistion.

Alexander en Hefaistion
Alexander en Hefaistion, Getty Villa museum

Alexander en Hefaistion hebben elkaar niet zo heel lang voor de aankomst van Aristoteles leren kennen, en in het zelfde hoofdstuk, dat over de lessen van Aristoteles gaat, wordt ook de ontwikkeling van hun levenslange vriendschap (of hun levenslange relatie) beschreven. Deze ontwikkeling wordt makkelijker gemaakt doordat de jongens zich gedurende langere tijd, weliswaar samen met een grotere groep vrienden, ver van het hof in Pella, en van Olympias, Alexanders moeder, bevinden. Het waren vooral de episodes die deze ontwikkeling beschrijven die mij (wederom) ontroerd hebben.

Mieza, sanctuary of the nymphs, was a shelter too from the court with its turmoil of news, events, intrigues. They lived with ideas, and with one another. Their minds were ripening, a growth they were daily urged to hasten; less was said about the fact that their bodies were ripening too. At Pella, Hephaistion had lived in a cloud of vague, inchoate longings. They had become desires, and no longer vague.

Mary Renault – Fire from heaven, p. 163

Sinds 2004, na het lezen van The Persian boy ben ik gefascineerd door de geschiedenis en de figuur van Alexander. Misschien dat ik, als ik Herodotos uit heb, naast Kant, Aristoteles, en de lectuur voor Ethiek, mijn laatste boek over Alexander en zijn nalatenschap in Azië maar ga lezen.

René van Delft - Het wezen moet verschijnen Irvin D. Yalom - Nietzsches tranen

Als laatste boek, waarin weliswaar een expliciete verbinding gemaakt wordt tussen fictie en filosofie, maar waarin geen bekende filosoof optreedt, kan ik Het wezen moet verschijnen van René van Delft nog noemen. In deze filosofische thriller speelt de filosofie van Hegel een belangrijke rol, of in elk geval pretendeert de auteur dat. Ik heb het boek twee maanden geleden gelezen en vond het nogal geforceerd. De beschrijvingen van het Amsterdamse milieu van filosofiestudenten kwamen niet erg authentiek, om niet zeggen uiterst onwaarschijnlijk over. Zo ongeveer het enige wat ik herkenbaar vond waren de beschrijvingen van het Oudemanhuispoort complex. Dit boek was een teleurstelling, en ik zal mijn honger naar Hegel nog een paar maanden moeten koesteren totdat deze vanaf januari gestild kan worden.

PS. En natuurlijk had ik Nietzsches tranen van Irwin Yalom nog moeten vermelden!

Kleobis en Biton

Gisteren besteedde Charles Hupperts zijn college over de geluksopvatting bij Aristoteles aan een historisch overzicht over opvattingen van geluk bij de Grieken vóór Aristoteles. Daarbij ging de meeste aandacht uit naar de oudere opvattingen en beperkter naar bijvoorbeeld Plato. Maar misschien lijkt dat ook alleen maar zo, omdat ik zelf het eerste gedeelte over onder andere Homeros en Herodotos interessanter vond. De twee colleges van Hupperts tot nu toe beloven in elk geval veel goeds voor dit semester, zijn enthousiasme straalt er van af.

Een van de voorbeelden die hij aanhaalde was het verhaal dat Herodotos vertelt in het eerste boek van zijn Historiën over de ontmoeting van Solon, de Atheense wetgever, en Kroisos, de koning van Lydië.

Herodotos - Het verslag van mijn onderzoek

In deze ontmoeting, die historisch gezien nooit heeft kunnen plaatsvinden, vraagt Kroisos aan Solon wie volgens hem de gelukkigste man is die hij ooit is tegengekomen. Hoewel Kroisos, die geldt als de op dat moment rijkste man ter wereld, verwacht dat Solon hem zal noemen, noemt Solon als eerste Tellos, een gewone ambachtsman in Athene.

Daar begreep Kroisos geen snars van! Hij haastte zich om te vragen: ‘Hoe kom je erbij om die eh… Tellos te noemen?’ ‘Ik heb twee redenen,’ gaf Solon ten antwoord, ‘in de eerste plaats was er welvaart in de stad toen zijn zonen werden geboren, die werkelijk prachtjongens waren. Bovendien heeft hij lang genoeg geleefd om mee te maken dat zij op hun beurt allemaal kinderen hebben gekregen die de een na de ander volwassen zijn geworden. En in de tweede plaats heeft hij een leven in goeden doen – tenminste naar onze begrippen – bekroond met een werkelijk schitterend einde. In de oorlog met de buurtvolkeren heeft hij zijn medeburgers in Eleusis terzijde gestaan en de vijand op de vlucht gejaagd. Daarbij is hij een heldendood gestorven en de Atheners hebben hem met met de hoogste militaire eer begraven op de plaats waar hij was gevallen.’

Herodotos – Het verslag van mijn onderzoek, p. 55

Hoewel Solon met dit verhaal al duidelijk heeft gemaakt dat geluk niet in rijkdom alleen ligt, en dat je volgens hem niemand gelukkig kunt noemen voor het einde van zijn of haar leven, geeft Kroisos het nog niet op en vraagt wie de op één na gelukkigste man was. Solon noemt dan twee jongens uit Argos, Kleobis en Biton.

Kleobis en Biton, Terme di Diocleziano
Altaar met afbeelding van de mythe van Kleobis en Biton
Terme di Diocleziano, Rome
Overgenomen van de website Hellenica van Michael Lahanas

Kleobis en Biton zijn twee broers uit Argos, die hun moeder in een ossekar naar de tempel van Hera hebben gebracht, omdat de ossen niet op tijd van het veld terug waren. Door de enorme inspanning die daarvoor moesten leveren zijn de jongens gestorven in, volgens Solon, “de mooiste dood die je maar kunt wensen.” De jongens zakken overigens niet meteen dood in elkaar als ze bij de tempel aankomen, maar overlijden in hun slaap nadat hun moeder aan Hera heeft gevraagd om aan haar zonen “het grootste geluk te verlenen dat iemand ten deel kan vallen.”

Solon herhaalt dan nog eens waarom hij deze twee voorbeelden van het grootste geluk noemt, en Kroisos niet gelukkig wenst te noemen:

Nee, waarde Kroisos, wij zijn in alle opzichten een speelbal van het lot. U bent onmetelijk rijk en uw onderdanen zijn niet te tellen, dat is me zeker niet ontgaan. Maar de vraag die u me stelde, kan ik pas beantwoorden als ik weet of u tot uw dood toe gelukkig bent gebleven. Eerst wanneer een schatrijk mens tot het einde van zijn leven voorspoed heeft gekend, kun je met zekerheid zeggen dat hij gelukkiger is geweest dan een man die krapper in zijn middelen zat.

Herodotos – Het verslag van mijn onderzoek, p. 57

Herodotos vermeldt ook dat de inwoners van Argos, de Argiven, beelden van de jongens hebben laten maken en deze nar Delfi hebben gestuurd. Deze beelden zijn inderdaad, met een inscriptie die de namen vermeldt, teruggevonden bij opgravingen en staan nu in het museum van Delfi.

Kleobis en Biton
Kleobis en Biton
Delfi
Overgenomen van de Humanities website van Reed College

Met Kroisos loopt het allemaal niet goed af. Zijn lievelingszoon wordt bij een everzwijnjacht gedood, hij zelf wordt door de Perzische koning Cyrus verslagen als hij het Perzische rijk aanvalt en door hem op de brandstapel gezet, waarvan hij dan wel weer door een ingrijpen van Apollo in de vorm van een plotseling noodweer wordt gered. Voor zover ik kan zien, vermeldt Herodotos niet wat er uiteindelijk met Kroisos is gebeurd. Waarschijnlijk is hij toch door Cyrus gedood, al dan niet op de brandstapel, en is het verhaal van de wonderbaarlijke redding en het inzicht dat hij daarna verwerft in zijn fouten een mooie moralistische afsluiting.

Het verhaal van Kleobis en Biton kende ik niet. De overmoed en de ondergang van Kroisos, en de ontmoeting met Solon kom ik vaker tegen, maar dit onderdeel schiet er op de een of andere manier vaak bij in. Vandaar dat ik een beetje gezocht heb naar de beelden, die Herodotos noemt.

Delfi - Tempel van Apollo
Tempel van Apollo, Delfi, 1975

Ik geloof dat we, toen ik in 1975 in Delfi was met Ton, Marten en Frans, het museum daar niet eens bezocht hebben. Shame on me!

Kant – Eine Biographie

Gisteren ben ik begonnen aan de biografie van Immanuel Kant, geschreven door Manfred Kühn. Ik had deze biografie, samen met die van Manfred Geier, Kants welt, al in december vorig jaar gekocht, kort nadat we bij Inleiding drie weken aan Kant hadden besteed. Ik was toen al bezig met mijn plan om de drie Kritieken te lezen in de collegevrije periode in januari en een beetje extra achtergrondinformatie leek me welkom.

Manfred Kühn - Kant; Eine Biographie

Omdat de biografie van Manfred Geier korter was en me eenvoudiger te lezen leek, heb ik die begin januari gelezen. De biografie van Manfred Kühn heb ik toen laten liggen, niet alleen omdat het lezen van de Kritieken verder al mijn tijd zou opslokken in januari – en extra problematisch werd doordat de buurjongen toen aan zijn drumexercities begon, die tot halverwege maart hebben geduurd, maar daarover een andere keer – maar ook omdat ik er na aankoop bij Amazon in Duitsland achter kwam dat de schrijver weliswaar van oorsprong Duits is, maar zijn boek in het Engels had geschreven en ik een Duitse vertaling gekocht bleek te hebben. En dat terwijl ik het net zo dapper van mezelf vond om deze boeken in het Duits te lezen!

Nu het studiejaar weer op beginnen staat – dinsdag is de eerste werkgroep over Aristoteles en het eerste college Ethiek, donderdag de eerste werkgroep over Kant en de eerste werkgroep Ethiek – en ik de spanning van het schilderwerk van augustus van me af moest proberen te schudden, ben ik nu toch maar aan de biografie van Manfred Kühn begonnen.

Ik ben nog maar in de Proloog, waarin Kühn onder andere een overzicht geeft van de biografieën die kort na Kants overlijden in 1804 zijn geschreven door mensen die Kant persoonlijk hebben gekend. Dat zijn Ludwig Borowski, Reinhold Jachmann en Ehregott Wasianski. Geen van deze biografieën is volgens Kühn echter betrouwbaar en hebben elk voor zich, onder meer omdat ze vrijwel uitsluitend de laatste 15 jaar van Kants leven beschrijven, sterk bijgedragen tot het beeld van Kant als de dorre professor uit Königsberg. Dat beeld wil Kühn in zijn biografie in elk geval rechtzetten. De biografie van Manfred Geier, en het boekje van Jean-Baptiste Botul (pseudoniem van Frédéric Pagès), Het seksuele leven van Kant, waarvan ik nog steeds niet goed weet hoe serieus ik het moet nemen, hebben dat beeld voor mij al aangepast. Wat dat betreft heeft Kühn het makkelijk.

Manfred Geier - Kants Welt Jean-Baptiste Botul - Het seksuele leven van Kant

Wat me in het begin van de proloog opviel, en wat me ook al uit de biografie van Geier is bijgebleven, is Kants houding ten opzichte van de religie en het geloof in god en de vijandschap die hem dat opgeleverd heeft, tot aan een maatregel van de Pruisische censuur om zijn Religion innerhalb der Grenzen der bloßen Vernunft te verbieden, zoals Geier op p. 278 memoreert. Al eerder had Geier een uitspraak van Kant geciteerd over de waarden van religieuze dogma’s en erediensten:

Alles, was außer dem guten Lebenswandel, der Mensch noch tun zu können vermeint, um Gott wohlgefällig zu werden, ist bloßer Religionswahn und Afterdienst Gottes.

Manfred Geier – Kants Welt, p. 265

Manfred Kühn vermeld al op een van de eerste pagina’s van zijn biografie een zelfde houding van Kant naar aanleiding van de houding van een aantal burgers uit Königsberg, die niet naar zijn begrafenis zijn gegaan vanwege deze houding ten opzichte van de (geïnstitutionaliseerde) religie:

Die organisierte Religion erfültte ihn mit Zorn. Jedem, der Kant persönlich kannte, war klar, daß ihm der Glaube an einen persönlichen Gott fremd war. Gott und Unsterblichkeit hatte er zwar postuliert, glaubte aber selbst an keines von beiden. Seine feste Überzeugung war, daß derartige Glaubensvorstellungen lediglich eine Sache des «individuellen Bedürfnisses» seien. Er selbst empfand kein derartiges Bedürfnis.

Manfred Kühn – Kant. p. 17

Dit was ook wel ongeveer wat ik uit de Kritiek van de praktische rede had begrepen, in elk geval dat daarin het postulaat van de vrijheid een belangrijkere rol speelt dan die van god en onsterfelijkheid. Deze laatste twee postulaten zijn ondergeschikt en in strikte zin niet noodzakelijk voor de onderwerping aan de morele wet, die de kern is van de autonomie van de mens.

Dit semester ga ik een hoop Kant lezen denk ik. Behalve de Kritiek van de zuivere rede, die we uitgeberied gaan bestuderen, komt ook de Fundering van de metafysica van de zeden bij Ethiek aan bod. Uiteraard wil ik de biografie van Kühn uitlezen en hopelijk lukt het om nog wat meer van en over Kant te lezen. Aan mijn eigen Kant collectie zal het niet liggen :)

Immanuel Kant - Fundering voor de metafysica van de zeden

Helaas moet Hegel maar even op een zijspoor, die komt volgend semester aan bod. Aan Kant, Aristoteles en Ethiek heb ik mijn handen (en hoofd) meer dan vol denk ik.

Gay Pride 2010

Nadat we vorig jaar met de Gay Romeo boot hebben meegevaren met de Canal Parade, hebben we dit jaar meegevaren op de Mister B boot.

Gay Pride 2010

Na de ervaring van vorig jaar durfde ik dit jaar de confrontatie met het lawaai en de drukte wel weer aan. Die confrontatie bleek dit keer ook wel heel erg mee te vallen omdat er een probleem was met de generator die de boot, en vooral de geluidsinstallatie van stroom moest voorzien. Tijdens de Canal Parade was er daarom geen muziek aan boord, een beetje vreemd, maar ook wel lekker rustig eerlijk gezegd.

Deze video is op de boot zelf gemaakt en er is in elk geval goed op te zien dat het gebrek aan muziek en de regen die regelmatig viel tijdes de parade de stemming op de boot niet nadelig hebben beïnvloed. Met de regen hebben we zelfs een beetje geluk gehad, omdat het vooral heel veel regende toen we in het huis waar we ons konden omkleden moesten wachten tot de problemen met de generator waren opgelost. Na afloop van de parade begon het ook weer flink te regenen, maar toen kon iedereen zich met een trui aan onder de aanwezige paraplu’s verschuilen. Tijdens de parade hebben we wel regelmatig de paraplu even moeten opsteken, of hebben we de Braziliaanse vlag gebruikt als een bescherming tegen de regen. Maar de meeste tijd was er eigenlijk geen bescherming tegen de regen nodig.

Volgend jaar gaan we zeker weer met de Mister B boot mee!

Georg Wilhelm Friedrich Hegel

Vorige week heb ik de eerste twee hoofdstukken van Stephen Houlgate’s An Introduction to Hegel; Freedom, Truth and History herlezen, en nu wordt het wel tijd om een eigen artikeltje over Hegel te schrijven.

Het boek van Houlgate heb ik in februari aangeschaft toen we bij Inleiding filosofie Hegel behandelden na een eerste week van het tweede semester over de Romantiek en met name Schiller. Ik ben toen nooit verder gekomen dan de eerste twee hoofdstukken van het boek van Houlgate, omdat de colleges natuurlijk gewoon doorstoomden naar William James, Kierkegaard, Nietzsche en Husserl in de eerste helft van het tweede semester en Heidegger, Wittgenstein, Adorno, Derrida en Habermas in de tweede helft. Gelukkig is er nu de zomervakantie waarin ik, voordat de schilderactiviteiten en het (laten) ophogen van de voortuin beginnen, wat achterstallig lees- en studiewerk kan doen, en daar hoorde deze inleiding op het denken van Hegel zonder meer bij.

Stephen Houlgate - An introduction to Hegel

Het meest verrassende gedeelte uit het boek vond ik de hoofdstukken over Hegels natuurfilosofie. Daarin beschrijft Houlgate in 3 hoofdstukken (“Reason in nature”, “Space, gravity and the freeing of matter” en “Life and embodied spirit”) de weg die de natuur volgens Hegel logisch gezien af moet leggen van ruimte en tijd naar leven en bewustzijn. Deze gang zit tussen de gang die in de Logik wordt beschreven van zuiver zijn naar zuivere ruimteen wordt gevolgd door de ontwikkeling van het bewustzijn, zoals die in de Phänomenologie des Geistes wordt beschreven en die weer gevolgd wordt door de ontwikkeling van de geest tot absolute geest in kunst, religie en filosofie.

Hegel

Hegel is natuurlijk wel gepresenteerd als de laatste systeemfilosoof, maar dat de reikwijdte van zijn systeem zo groot was, is mij tijdens de colleges niet zo duidelijk geworden als nu uit het boek van Houlgate blijkt. Ondanks de weerbarstige en moeilijke taal en Hegels zeer bijzondere, dialectische benadering – die met het simpele schema these, antithese, synthese absoluut geen recht wordt gedaan – vond ik het lezen, bestuderen en bespreken van de Inleiding en het eerste hoofdstuk uit de Fenomenologie van de geest bijzonder fascinerend.

Een regenachtige dag

Vandaag is het een regenachtige zomerdag in Almere. Of beter gezegd, het was een regenachtige dag, want de lucht begint wat lichter te kleuren. En hoewel er volgens de website van het KNMI nog wel wat regen kan komen, dreigt het vanmiddag toch op te klaren. Dat betekent dat ik toch het al een paar dagen uitgestelde schoonmaakwerk aan voorkant van de berging zal moeten doen. Voor de planning en de uitvoering van de schilder- en voortuinophoogwerkzaamheden is dat wel gunstig, maar zo’n regendag als vandaag is ook een soort verademing, een paar uur (en bijna nooit een hele dag) waarop de wereld vredig en groen is.

Tuin in de regen Balkon in de regen
Tuin vanuit de schuifdeur Balkon
Tuin in de regen Straat in de regen
Tuin vanaf de eerste verdieping Straat vanuit de slaapkamer

De foto’s hierboven heb ik genomen toen de hardste regenval alweer voorbij was, maar ze zien er nog wel een beetje “nat” uit. De mooie ervaring van regen in de zomer, die een hele andere is dan die van regen in de winter, wanneer het geruis op de bladeren en de warmte van de vochtigheid ontbreekt, ken ik als beste van een rustdag in Vale do Paraiso, tijdens mijn vakantie naar het Amazone gebied in 2004. Terwijl het grootste gedeelte van het gezelschap, inclusief mijn kamergenoot, een wandeling – grotendeels in de stromende regen – heeft gemaakt naar een waterval in de buurt, ben ik de hele dag in het huisje gebleven, met het Amazone regenwoud en het geluid van de gestaag neervallende regen door de ramen, waar geen glas, maar alleen een gaas tegen de muggen in zat, om me heen, en waar ik João Ubaldo Ribeiro’s briljante boek Brazilië, Brazilië, vertaling van Viva o povo brasileiro (Leve het Braziliaanse volk) voor een groot deel heb gelezen.

Huisje in Vale do Paraíso Huisje in Vale do Paraíso João Ubaldo Ribeiro - Brazilië, Brazilië

Sinds die dag doet elke regenachtige periode in de zomer thuis me onherroepelijk aan die dag in het regenwoud denken en dat maakt van een sombere, natte dag een bevoorrechte en blije dag.

De Iris Murdoch prijs

Nadat gisteren het laatste tentamencijfers eindelijk binnen was, kan ik nu echt mijn eerste studiejaar afsluiten. Zo’n afsluiting gaat in drie fases, eerst de laatste colleges en werkgroepen in mei, dan de tentamens, die deze keer gelukkig niet, zoals bij de tussententamens in maart, alledrie in dezelfde week vielen, en als je denkt dat het daarmee klaar is, is er nog de spanning over, en het wachten op, de laatste cijfers. Maar goed, het resultaat voor Cultuurfilosofie is eindelijk bekend, negen weken na inleveren, en dus is het eerste jaar nu echt voorbij.

Over de resultaten van het eerste jaar kan ik alleen maar uiterst tevreden zijn. Alles bij elkaar is mijn gemiddelde over de vijf vakken die ik gedaan heb een 8,94. Afgerond net geen 9 gemiddeld dus, maar toch een resultaat om trots op te zijn!

Logica en de linguistic turn 9,8
Inleiding filosofie 1 8,5
Inleiding filosofie 2 9
Taalfilosofie 9
Cultuurfilosofie 8,4

Los van de cijfers was het ook geweldig om weer te studeren. Van de vakken in het afgelopen jaar heb ik alles bij elkaar het meest genoten van de historische en metafysische verkenningen van Inleiding filosofie. Pieter Pekelharing gaf daarin een bijzonder boeiend, overzichtelijk en inspirerend overzicht, en Johan de Jong en Maurits Romijn hebben de moeilijke teksten van met name Kant, Hegel en Kierkegaard enorm verhelderd. De colleges van Victor Kal waren boeiend en inzichtelijk, maar wat te veel gericht op het transcendente naar mijn smaak. De grootste ontdekking bij Inleiding filosofie was zonder meer Hegel. Ik ben vier colleges (drie van Johan, een van Maurits) en twee werkgroepen volledig gefascineerd geweest door zijn denken.

Pieter Pekelharing
Pieter Pekelharing, docent van het jaar 2007 (foto Dirk Gilissen)

Eigenlijk heb ik van alles genoten, met uitzondering van Cultuurfilosofie, waar de irritatiefactor soms erg hoog lag. De colleges van Albert van der Schoot waren altijd goed verzorgd en boeiend, en het college van Maarten Coolen over Merleau-Ponty was prachtig, maar de overige colleges vond ik vaak slecht tot aan irritant op het stuitende af. Waarschijnlijk was de marxistische, relativistische invalshoek daarin me vaak te gortig. Desondanks heb ik er een paar interessante nieuwe – in de zin van bij mij (nog) niet zo bekende – filosofen leren kennen, zoals Gottfried Herder, Maurice Merleau-Ponty, Hubert Dreyfus, Hans-Georg Gadamer en Charles Taylor.

Johann Gottfried Herder Maurice Merleau-Ponty Hubert Dreyfus Hans-Georg Gadamer Charles Taylor

Bij het laatste college Inleiding filosofie was er ook nog een aangename verrassing. Tijdens het eerste college had Pieter aangekondigd dat er aan het einde van het studiejaar een prijs uitgereikt zou worden voor wat hij toen het beste essay noemde en bij het laatste college als de prijs voor de beste, nou ja, een hele goede student omschreef. Deze prijs, de Iris Murdoch prijs, heb ik gekregen, niet zozeer, zoals Pieter zei, voor de goede tentamencijfers, maar vooral voor de hartstocht waarmee ik me op de behandelde filosofen stortte, de manier waarop ik deelnam aan de discussies op het forum van Inleiding filosofie en, daaraan toegevoegd door Matthijs Jonker, mijn inbreng tijdens de werkgroepen. Uiteraard was ik daar erg blij mee. Ik heb voor de boekenbonnen van € 50,- waar de prijs uit bestond – naast de eer, die veel belangrijker is – de twee delen van De wereld als wil en voorstelling van Arthur Schopenhauer gekocht.

Arthur Schopenhauer - De wereld als wil en voorstelling 1 Arthur Schopenhauer - De wereld als wil en voorstelling 2

Hoewel ik van plan was om deze twee boeken tijdens de vakantie te lezen, zijn daar tot nu toe toch andere voor in de plaats gekomen, zoals An introduction to Hegel van Stephen Houlgate, Hegel zelf (ik ben nog bezig in het eerste deel van de Vorlesungen über die Geschichte der Philosophie), een boekje van Jonathan Lear over Aristoteles (The desire to understand) en – eindelijk, nadat ik het in 1994 in Toronto al had gekocht omdat ik een behoorlijk aantal van haar romans had gelezen in de jaren daarvoor - Metaphysics as a guide to morals van Iris Murdoch.

Iris Murdoch - Metaphysics as a guide to morals

Na het toekennen van de prijs kon ik dat natuurlijk niet langer ongelezen in de kast laten staan.

Let me tell you a little story

Deze week gaven Martin Stokhof en Chantal Bax twee prachtige colleges over Wittgenstein. Aan het einde van zijn college liet Martin Stokhof een stukje zien uit de film van Derek Jarman over Wittgenstein. En wat ik niet zo snel zou verwachten bij een college filosofie, ik kreeg er tranen van in mijn ogen.

Derek Jarmans Wittgenstein - Let me tell you a little story

Embedden van dit stukje film lukt me niet, maar als je op de afbeelding hierboven klikt, dan speelt de video af. De tekst staat hieronder.

Let me tell you a little story.

There was once a young man who dreamed of reducing the world to pure logic. Because he was a very clever young man, he actually managed to do it. And when he’d finished his work, he stood back and admired it. It was beautiful. A world purged of imperfection and indeterminacy. Countless acres of gleaming ice stretching to the horizon.

So the clever young man looked around the world he had created, and decided to explore it. He took one step forward and fell flat on his back. You see, he had forgotten about friction. The ice was smooth and level and stainless, but you couldn’t walk there. So the clever young man sat down and wept bitter tears. But as he grew into a wise old man, he came to understand that roughness and ambiguity aren’t imperfections. They are what make the world turn. He wanted to run and dance. And the words and things scattered upon the ground were all battered and tarnished and ambiguous, and the wise old man saw that that was the way things were.

But something in him was still homesick for the ice, where everything was radiant and absolute and relentless. Though he had come to like the idea of the rough ground, he couldn’t bring himself to live there. So now he was marooned between earth and ice, at home in neither.

And this was the cause of all his grief.

Ludwig Wittgenstein is een filosoof die, ondanks de logische kou die uit zijn werk lijkt te spreken, een uitzonderlijke warmte uitstraalt. Vanaf het allereerste keer dat ik iets van en oer hem gelezen heb, was ik gefascineerd door zijn denken en door zijn geschiedenis.

Sloterdijk live

Op 14 en 15 november was Peter Sloterdijk te gast bij de ISVW, in het kader van de nieuwe ‘basisopleiding’ Kritische Methoden. Voor deze opleiding, die eerst als een vervolgopleiding werd gepresenteerd, die kennis van de filosofie op het niveau van de basisopleidingen Geschiedenis of Systematiek veronderstelde, maar later – wellicht uit marketingoverwegingen – toch als basisopleiding is gaan gelden, had ik me begin juli al opgegeven, kort na de examendag voor Systematiek. Ik heb nog even getwijfeld of het een goed idee zou zijn om een serie weekenden bij de ISVW te gaan volgen naast de studie filosofie, waar ik me inmiddels voor aan het inschrijven was. De weekenden bij de ISVW zijn echter zo ontzettend leuk, dat ik me dat plezier niet wou ontnemen. Bovendien zou René Gude de cursus gaan geven, en dat alleen was al reden genoeg om te gaan. Na het eerste weekend van de basisopleiding Geschiedenis dat hij twee jaar geleden gaf, was ik onmiddellijk verkocht, en nu hij een afwezigheid van bijna twee jaar terug was wou ik natuurlijk de kans niet missen om zijn glorieuze terugkeer mee te maken.

Peter Sloterdijk

Een weekend met een levende filosoof bleek een stuk meer belangstellenden te trekken dan weekenden met dode filosofen. Normaal is het aantal deelnemers aan een weekend tussen de 30 en 40 (het eerste weekend van Kritische Methoden was al erg druk met bijna 50 deelnemers), maar deze keer zaten er 120 man in de zaal. Gelukkig had ik me een grote drukte voorbereid en heb ik me daar in elk geval mijn plezier niet door laten bederven.

Op zaterdagochtend gaf René, samen met Wouter Kusters, een overzicht van Sloterdijks werk, vanaf de Kritik der zynischen Vernunft, zijn debuut uit 1983 tot aan de Sferen trilogie en zijn laatste, dit jaar verschenen boek Du mußt dein Leben ändern. Helaas heb ik de Kritik der zynischen Vernunft nooit gelezen, maar ik kan me de enthousiaste recensies nog wel min of meer herinneren. In die tijd was ik te bang dat ik een filosofisch boek niet zou kunnen begrijpen, en heb deze toen ook voorbij laten gaan. Zijn tweede boek, De toverboom, een roman over het ontstaan van de psychoanalyse – in 1785 in Frankrijk – heb ik wel gelezen, maar eerlijk gezegd kan ik me daar helemaal niets van herinneren, ook niet als ik er nog wat in blader. Sloterdijk noemde het zelf op zaterdagmiddag een vergissing of in elk geval een minder geslaagd project. Misschien moet ik het toch nog maar een keer opnieuw lezen.

Peter Sloterdijk - De toverboom

René opende zaterdag met een korte geschiedenis van de ISVW, de Internationale School voor Wijsbegeerte, die naar zijn zeggen in 1916 door Frederik van Eeden is opgericht met het doel om de wereld via het voeren van goede gesprekken te behoeden voor een herhaling van de ellende van de eerste wereldoorlog. Enig verder gespeur op Internet laat helaas zien dat Frederik van Eeden weliswaar betrokken is geweest bij de voorbereidingen van wat toen nog de “Amersfoortse school voor Wijsbegeerte” zou gaan heten, maar dat hij al voor de eigenlijke start uit het oprichtingscomité is gestapt. Dat neemt niet weg dat hij beschouwd kan worden als de geestelijke vader van het instituut, dat nog steeds het bevorderen van een goede verstandhouding (houding van het verstand) met de wereld tot haar taak rekent en waar de grootste zaal naar hem is genoemd, een zaal waarin nu dus, samen met de erbij getrokken kleinere Bierens de Haan zaal, 120 man zaten.

ISVW
Gebouw van de ISVW in 1932

Het blijkt moeilijk te zijn om een enigzins samenhangende samenvatting te geven van het overzicht dat René Gude en Wouter Kusters gaven. Ik zit naar de opmerkingen te kijken die ik tijdens hun lezingen heb gemaakt, en dat blijven op de een of andere manier losse opmerkingen, zonder dat ik daar het verbindende verhaal bij hoor. Het overkoepelende verhaal over Peter Sloterdijk is denk ik dat hij in opstand komt tegen het gebrek aan “grote verhalen” in de tweede helft van de 20e eeuw. Grote verhalen als het nazisme en het communisme, maar bijvoorbeeld in eerdere eeuwen ook de franse revolutie en het christendom, hebben zoveel ellende opgeleverd dat er begrijpelijkerwijs een enorme afkeer is ontstaan van wereldomvattende systemen. Maar die afkeer is op zijn beurt weer doorgeslagen in een cynisch scepticisme dat helemaal nergens meer in durft te geloven, en dat eigenlijk nauwelijks meer durft te spreken omdat het vindt dat de taal zelf niet meer te vertrouwen is.

Net als Kant met zijn Kritieken grenzen aan de rede wilde stellen probeert Sloterdijk grenzen te stellen aan het cynisme en het scepticisme, en de taal nieuw leven in te blazen, zonder daarbij in dogmatisch gedrag of denken te vervallen. Hij wil de mens weer een stem geven, hem weer bestemmen.

Peter Sloterdijk - Sferen Peter Sloterdijk - Sferen Peter Sloterdijk - Woede en Tijd Peter Sloterdijk - Het kristalpaleis

Hij doet dat onder andere door heel veel en hele dikke boeken te schrijven, waarin hij, onder andere in de Sfären-trilogie, eerst een onderzoek heeft willen doen naar de huidige situatie van de mensen, een Lagebesprechung der Menschheit, gevolgd door een Arbeitsgespräch (werkoverleg) in bijvoorbeeld Zorn und Zeit (in het Nederlands vertaald als Woede en tijd) en Im Weltinnenraum des Kapitals (vertaald als Het kristalpaleis), om naar mogelijke wegen te zoeken om vanuit die antropologie tot een wijze van samenwerken en ontwikkeling (Bildung) te komen die recht doet aan de situatie van de mensheid, opeengepakt op één wereldbol.

Het seksuele leven van Kant

Over het seksuele leven van Kant lijkt zo op het eerste gezicht niet veel te zeggen. Immanuel Kant is immers de gortdroge filosoof, die schier onleesbare boeken heeft geschreven over de zuivere en praktische rede en over het oordeelsvermogen. Daarnaast is hij in zijn 80-jarige leven nooit verder dan 40 km van zijn woon- en geboorteplaats Köningsberg geweest, leefde hij volgens een ijzeren ritme en hield hij er merkwaardige opvattingen op na over het huwelijk en rol van seksualiteit daarin. Die zie je niet meteen het bed induiken met iemand anders.

Hoe te beminnen: Filosofen over seks

In een gedeelte uit de Metaphysik der Siten over het huwelijksrecht, dat Machteld Allan heeft opgenomen in haar bundel Hoe te beminnen: Filosofen over seks schrijft hij bijvoorbeeld het volgende:

Geslachtsgemeenschap (commercium sexuale) is het wederzijds gebruik dat een mens maakt van de geslachtsorganen en het geslachtelijk vermogen van een ander (usus membrorum et facultatum sexualium alterius);
[...]
Het natuurlijke gebruik dat het ene geslacht van de geslachtsorganen van de ander maakt, is [...] een genot, waarvoor de ene partij zich aan de andere overgeeft. Bij deze daad maakt de mens van zichzelf een ding, iets wat strijdig is met de menselijkheid in zijn eigen persoon. Die daad is enkel en alleen mogelijk onder de voorwaarde dat, wanneer de ene persoon de ander ook als ding verwerft, de laatste op zijn beurt de ander verwerft;
[...]
De verwerving van een echtgenoot of echtgenote geschiedt [...] niet facto (door de bijslaap) zonder voorafgaande overeenkomst, ook niet pacto (louter door de huwelijksovereenkomst zonder een daaropvolgende bijslaap), maar slechts lege: dat wil zeggen als rechtmatig gevolg van de verplichting om een geslachtelijke verbintenis enkel en alleen aan te gaan door middel van het wederzijdse bezit van personen, omdat zo’n verbintenis alleen door het wederzijdse gebruik van hu geslachtelijke eigenschappen werkelijkheid wordt.

Tsja, dan vergaat je de lust tot huwelijk en seks wel. Maar toch kun je Immanuel Kant niet beschuldigen van inconsequentie, want de beschrijving hierboven lijkt mij een regelrecht gevolg van de maxime dat je een ander mens nooit uitsluitend als middel mag gebruiken, maar altijd als doel, en dat ben ik toch ernstig geneigd te onderschrijven. Alleen wordt seks dan wel een problematische zaak, waar wij gewone stervelingen in het dagelijkse leven niet bij stilstaan als we bed, park, bordeel, sauna of darkroom in duiken.

Gelukkig is Jean-Baptiste Botul, een pseudoniem van Frédéric Pagès, er desondanks in geslaagd een vermakelijk boekje te schrijven over het seksuele leven van Kant.

Het seksuele leven van Kant

Tijdens het eerste college over Kant liet Maurits Romijn in een gastoptreden dit boekje heel even zien, voordat hij onze aandacht richtte op het kentheoretische probleem van Hume dat Kant probeerde op te lossen, én op zijn oplossing darvan. En ik kon het vervolgens natuurlijk niet laten om het boekje meteen te bestellen, en te lezen tussen de serieuze zaken van de Kritiek van de zuivere rede en Wittgenstein’s Tractatus door.

Frédéric Pagès treedt keurig in het boek op als schrijver van het voorwoord, waarin hij de ontstaan van het boekje uitlegt als de weerslag van een aantal lezingen die Jean-Baptiste Botul (grondlegger van het botulisme) heeft gehouden voor een publiek van ‘Kantiaanse fundamentalisten’, ongeveer een jaar nadat deze in 1945 gevlucht zijn voor de aanstormende Russen uit Köningsberg naar Paraguay en daar de kolonie Nueva Köningsberg hebben gesticht. De inwoners probeerden Kant zoveel mogelijk te imiteren in hun levenswijze. Of dat ook betekent dat ze elke middag een vaste wandeling maakten wordt in het voorwoord niet vermeld. Aangezien Kant zijn wandelingen altijd alleen maakte – wandelen diende met gesloten mond gedaan te worden, waardoor er geen gelegenheid is tot conversatie en het dus uiterst onbeleefd zou zijn om in gezelschap te willen wandelen – zou dat een aardig gezicht moeten hebben gegeven in Nueva Köningsberg: alle inwoners op hetzelfde moment aan de wandel, iedereen volgens zijn eigen vaste route, en een strikt verbod om elkaar te begroeten als de wegen elkaar kruisen.

Gezien het gebrek aan seksueel leven bij Kant ligt het ook in de lijn der verwachting dat de kolonie langs natuurlijke weg is uitgestorven wegens gebrek aan nieuwe inwoners. Zij – evenmin als Kant – hebben zich in dit opzicht gehouden aan de categorische imperatief: handel zo dat de maxime van je handelen tot algemene wet verheven kan worden. Niet alleen is Nueva Köningsberg snel ontvolkt, ook de mensheid zou het niet lang volhouden als zij zich blijvend zouden verzetten tegen de drang tot voortplanten.

De voortplantingskwestie wordt in een lezing van Botul besproken aan de hand van de vraag of een filosoof überhaupt getrouwd kan zijn en zijn of haar denkinspanningen kan combineren met een (veeleisend) gezinsleven. Het antwoord van Kant op deze vraag lijkt een duidelijk ‘neen’ te zijn. Helaas zonder exacte verwijzing citeert Frédéric Pagès Kant’s Kritiek van het oordeelsvermogen: ‘Men zal er een zware dobber aan hebben te bewijzen dat personen die zeer oud geworden zijn, het grootste deel van hun tijd getrouwd waren.’

In een brief aan zijn vriend Marcus Herz van 21 februari 1772, waarin hij de eerste ideeën voor een Kritiek van de zuivere rede, nog onder de werktitel De grenzen van de zintuiglijkheid en de rede ontvouwt, verontschuldigt hij zich voor het lange uitblijven van zijn antwoord, door te wijzen op de noodzaak tot absolute concentratie op de diepgaande denkactiviteit waartoe hij zich gedwongen ziet:

Bij geestelijke bezigheden van zo subtiele aard is niets hinderlijker dan intensief te moeten nadenken over zaken die buiten dit terrein liggen. De geest moet in de rustige of zelfs gelukkige ogenbikken altijd en onderbroken openstaan voor deze of gene toevallige inval die zich kan aandienen, al mag hij niet altijd geconcentreerd blijven. Verkwikkingen en verstrooiingen moeten de krachten van de geest soepel en beweeglijk houden, waardoor men in staat is het onderwerp altijd van verschillende kanten te bekijken, en de blik van een microscopische observatie te verwijden tot een algemeen overzicht, zodat men alle denkbare standpunten kan innemen, en het optische oordeel van het ene dat van het andere bevestigt en omgekeerd. Dat was de enige reden, mijn waarde vriend, dat mijn antwoorden op uw brieven, die mij zo aangenaam zijn, zo lang uitblijven, want u leek me niet te verlangen dat ik u zomaar wat schrijf.

Immanuel Kant aan Marcus Herz – Kritiek van de zuivere rede, p. 48-49

Als afschrikwekkend voorbeeld van wat het huwelijk met een filosoof vermag te doen wordt Hegel opgevoerd, die na zijn huwelijk met Maria von Tucher via de connecties van zijn schoonfamilie tot hoogleraar in Berlijn werd benoemd en daarover gezegd schijnt te hebben:

Ik heb mijn aardse doel bereikt, want met een functie en een liefhebbende vrouw heeft men toch alles wat men zich op deze aarde wensen kan.

Georg Wilhelm Friedrich Hegel – Het seksuele leven van Kant, p. 43

Zo blijft er van het grootse streven van de ware filosoof natuurlijk helemaal niks over!

Immanuel Kant - Kritiek van de zuivere rede Immanuel Kant - Kritiek van de praktische rede Immanuel Kant - Kritiek van het oordeelsvermogen

Over de waarde van Hegels werk moet ik mijn oordeel maar opschorten tot volgend semester, misschien valt het nog wel mee met de grootsheid. Over de grootsheid van Kant heb ik op dit moment weinig twijfel. Hoewel de Kritiek van de zuivere rede verre van makkelijke lectuur is (hm, dit is het understatement van het jaar eerlijk gezegd) is het ook fascinerend om te lezen. Niet alleen omdat Kant hiermee een revolutie in de filosofie heeft teweeggebracht – de befaamde Copernicaanse wending – maar ook door de uiterst precieze manier van redeneren. Met een paar bladzijden per keer lukt het zelfs redelijk om er door heen te komen en ik zou bijna zeggen dat het verleidelijke lectuur is.

Vrijheid en disciplinering

Deze week had ik mijn tweede zomerweek (nou ja, een zogenaamde ‘midweek’ van 3 dagen dit keer) bij de ISVW. Na de plooibare geest ging het dit keer over John Stuart Mill’s On Liberty, dat 150 jaar geleden is verschenen, en over Mill zelf natuurlijk.

Vrijheid en disciplinering

De cursus werd gegeven door Cor Hermans, van oorsprong historicus, die twee jaar geleden een boek heeft geschreven over de Franse invloeden op Mill onder de titel Een Engelsman in Frankrijk. Daarin nuanceert hij, net als in de cursus, het beeld van Mill als een laissez-faire liberaal, een held van het neo-liberalisme en/of een ongevoelige utilitarist, wiens “harm principle” wordt gebruikt als verdediging om een absolute vrijheid van handelen en spreken te claimen in een volledig vermarkte samenleving te claimen.

Cor Hermans

Zoals de wervingstekst hieronder aangeeft is dat beeld van Mill niet correct, vandaar ook de titel van de cursus, Vrijheid en disciplinering.

Het zijn zware tijden voor liberalen. Tegenstanders houden (neo)liberalisme verantwoordelijk voor fenomenen als trouweloze beleggers, graaicultuur en zelfzuchtige individuen in het algemeen. En voorstanders van liberalisme vrezen juist dat vrijheid en meningsuiting het onderspit aan het delven zijn. Hoe moet een gewetensvolle liberaal zich in deze situatie opstellen?

Honderdvijftig jaar geleden publiceerde John Stuart Mill zijn klassieke On Liberty. Zijn pleidooi voor vrije meningsuiting is verbonden met een fier geloof dat toegang tot het publieke debat een groot goed is dat verplichtingen schept. Zijn opvatting van individualiteit, universele opvoeding en persoonlijke autonomie is veeleisend, zijn vrijheidsbegrip vergt een indrukwekkende zelfdiscipline.

Mill is een grote bron van inspiratie voor vastberaden, maar genuanceerde liberalen. Ook een verademing voor sociaal- en christendemocraten.

Het thema “vrijheid en disciplinering” deed mij denken aan de tekst van Há tempos (Er zijn tijden/Ooit/Soms) van Legião Urbana, waar de regel Disciplina é liberdade (Discipline is vrijheid) in voorkomt.

Legião Urbana - As Quatro Estações

<Speel af>

[...]
Meu amor, disciplina é liberdade
Compaixão é fortaleza
Ter bondade é ter coragem
[...]

[...]
Mijn lief, discipline is vrijheid
Medelijden is kracht
Gebonden zijn is moed
[...]

tekst: Renato Russo, muziek: Dado Villa-Lobos, Renato Russo. Marcelo Bonfá, © 1989

Voor de cursus had ik Cor Hermans boek en Mills Over vrijheid gelezen, en van beide was ik behoorlijk onder de indruk. Maar, net als tijdens de basisopleiding Systematiek, bleek dat de reikwijdte van Mills denken en zijn sociale doelstellingen al te makkelijk misverstaan worden. Het beeld van Mill als een utilist, voor wie een handeling alleen moreel aanvaardbaar is als deze, zonder aanziens des persoons, bijdraagt tot een onmiddellijke vergroting van het algemene geluk, zit er blijkbaar erg diep in.

Cor Hermans - Een Engelsman in Frankrijk John Stuart Mill - Over vrijheid John Stuart Mill - 150 jaar over vrijheid

Wat me zelf bij het lezen van On Liberty opviel was de bedreiging voor de individuele vrijheid die Mill uit ziet gaan van de publieke opinie en van sociale druk en vooroordelen.

Aan het slot van zijn inleiding op het boek John Stuart Mill; 150 jaar over vrijheid geeft Dirk Verhofstadt de volgende karakterisering van Mill, waar ik me prima in kan vinden.

Mill was een liberaal in de echte zin van het woord. Iemand die vrijheid en rechtvaardigheid, autonomie en solidariteit, zelfbeschikking en herverdeling op unieke wijze wist te combineren. Iemand die niet hield van de status-quo, zelfgenoegzaamheid en verstarring. Iemand die op overtuigende wijze aantoont dat het liberale gedachtegoed door en door progressief is.

Het grootste gedeelte van de cursus werd bijgewoond door Jolanda Breur, een journaliste van Trouw. Zij heeft een artikel geschreven in het kader van een serie over mensen die in de zomervakantie niet naar de zon gaan, maar kiezen voor geestelijke ontwikkeling. Het artikel, met de titel Zelfs onder het eten filosoferen ze, geeft een behoorlijk betrouwbaar beeld van de cursus en van de gang van zaken bij het ISVW in het algemeen.

Les bij de ISVW

De foto bij het artikel was in scène gezet. De fotograaf, Koen Verheijden, zette Cor Hermans en een van de deelnemers met hun stoelen in het bos, terwijl dat nou juist zo ongeveer de enige plek is in de buurt van de ISVW waar niet gefilosofeerd wordt. Maar de foto pakt wel weer heel goed de sfeer die er hangt, dus zo erg was het in scène zetten nou ook weer niet.

Studeren!

Maandag 31 augustus begin ik met mijn deeltijdstudie filosofie aan de UvA. Afgelopen maandag is mijn inschrijving (voorlopig) geaccepteerd. Na de examendag van mijn cursus Systematiek bij de ISVW, waar Leon mij ernstig suggereerde om de studie filosofie op te pakken, heb ik besloten om dat inderdaad te gaan doen.

Parmenides
Parmenides

Vorig jaar had ik al eens geïnformeerd naar de mogelijkheid van een deeltijdstudie, maar toen ben ik afgeschrikt door de melding dat alleen de propedeuse ‘s avonds te volgens was en dat er daarna geen enkele garantie was dat colleges of werkgroepen ‘s avonds gegeven zouden worden. Daarop heb ik besloten om maar helemaal niet te beginnen aan een deeltijdstudie, want dat lukt natuurlijk alleen maar als alle vakken wél ‘s avonds gevolgd kunnen worden. Bovendien redeneerde ik dat een deeltijdstudie dan die naam helemaal niet verdiende en dat ik zou verwachten dat een deeltijdstudie speciaal gericht was op mensen die werken.

Immanuel Kant
Immanuel Kant

Die situatie is nu eigenlijk niet anders, het is nog steeds zo dat alleen de propedeuse- en basisvakken gegarandeerd ‘s avonds te volgen zijn, maar de informatie over de deeltijdopleiding op de website van de UvA is nu wel een stuk vriendelijker:

Er wordt in elk geval naar gestreefd alle wijsgerige onderdelen van de prodedeuse en de basisvakken van het tweede propedeusejaar geheel in de avonduren aan te bieden; van dit deel van het programma kan steeds tweederde van de vakken het ene jaar in de avond worden gevolgd en het andere deel het jaar daarop. Het onderwijs van de overige vakken wordt slechts in beperkte mate in de avond aangeboden. Voor deze vakken kan niet worden gegarandeerd dat het onderwijs in de avonduren gevolgd kan worden. Vaak zijn hierover in overleg met de studieadviseur en docenten echter wel individuele oplossingen te vinden.

Voorlopig zijn de colleges en werkgroepen in het eerste en tweede jaar wel ‘s avonds te volgen en daarna zie ik wel weer. Bovendien is mijn situatie nu ook een andere dan een jaar geleden omdat ik niet meer werk, en ik eerlijk gezegd geen idee heb wanneer, en eigenlijk of ik wel weer ga werken.

Ludwig Wittgenstein
Ludwig Wittgenstein

Het inschrijven zelf heeft nog wel wat voeten in de aarde gehad. Ik was er van overtuigd dat mijn diploma van het Gymnasium en mijn doctoraaldiploma bij mijn ouders in de kluis lagen, maar daar bleek helemaal niets van mij te vinden te zijn. Thuis kon ik deze twee diploma’s ook helemaal nergens vinden, wel elke ander diploma dat ik ooit heb gehaald en alle cijferlijsten en rapporten, maar nou net niet de twee diploma’s die ik nodig heb.

Verklaring doctoraal examen

Uiteindelijk heb ik een verklaring gekregen van het Educatief Centrum van de Universiteit Leiden dat ik daar toch echt een doctoraal examen Wiskunde heb afgelegd. Deze verklaring is voorlopig geaccepteerd voor mijn inschrijving bij de UvA. Het zou nog kunnen zijn dat er nog een andere verklaring nodig is, die niet afkomstig is van het Educatief Centrum maar van de Examencommissie. Nou ja, dat zal, mocht het nodig zijn, geen problemen opleveren. En ik kan 31 augustus beginnen met studeren!

Martin Heidegger
Martin Heidegger

Het programma voor de eerste twee jaar ziet er als volgt uit:

  Eerste semester Tweede semester
Eerste jaar Inleiding in de filosofie 1
Logica en de linguistic turn
Inleiding in de filosofie 2
Taalfilosofie
Tweede jaar Ethiek
Wetenschapsfilosofie
Cultuurfilosofie
Politieke en sociale filosofie

Na die twee jaar moet ik in het derde jaar 2 specialisatievakken en 1 keuzevak volgen en een afsluitende scriptie schrijven. Voorlopig zouden dit de keuzes zijn voor de specialisatie- en keuzevakken, waarbij een keuze van 3 eigenlijk wel heel erg beperkt is

Early Modern Philosophy – Rationalism and Empiricism
Deugdethiek
De presocraten

Maar dat is nu nog helemaal niet aan de orde. Voorlopig ben ik benieuwd hoeveel nieuwe dingen ik ga leren.

Gay Pride 2009

Afgelopen zaterdag heb ik voor de tweede keer meegevaren met de Canal Parade. De eerste keer was tijdens de allereerste Parade in 1997, in een paar werries van Willem III, die een beetje verloren gingen in het geweld, deze keer met de boot van Gay Romeo.

Gay Pride 2009

De onderstaande video van AT5 laat de boot zien, op het moment dat we vanaf de Prinsengracht de Amstel opvoeren, met onder andere als commentaar: “Dit is natuurlijk ook wel hoe het ooit allemaal begonnen is: een hoop naakte mannen die er goed uit zien op een boot. Dat is toch ook wat de mensen willen zien uiteindelijk.”

Vanaf de kant ziet het er anders uit dan wanneer je zelf op de boot staat, midden tussen de “naakte mannen die er goed uit zien”. Niet dat de meeste jongens en mannen er dan niet goed uitzien (hoewel ze op 1 onderbroek en 1 jockstrap na ook niet naakt waren, alleen maar een aantal zonder shirt), maar op de een of andere manier ziet het er van een afstand nog vrolijker uit, en geeft het precies de indruk die tijdens Gay Pride gegeven moet worden. Op de boot zelf is dat veel moeilijker in te schatten.

Bovendien heb je absoluut geen idee dat je als boot nr. 30 (van de 78) in een lange parade meevaart, je ziet eigenlijk alleen je eigen boot en op een gegeven moment vallen zelfs de mensen langs de kant niet meer op, dan bestaat de wereld uit niet veel meer dan boot, mannen en een heleboel geluid.

Ik heb ervan genoten, en op de momenten dat de toeschouwers wel weer meedoen, is ook meteen de hoeveelheid mensen langs de kant bijzonder indrukwekkend.